Dharma-onderwijs

Het achtvoudige pad - Juiste inspanning

Hoe je inspanning in de boeddhistische oefening toepast is een beetje een paradoxale kwestie. Als we niet zouden proberen om ons leven in een aantal opzichten te veranderen, dan zouden we niet eens met de oefening hoeven te beginnen. Tegelijkertijd is juist ook het loslaten van 'proberen' één van die noodzakelijke veranderingen. Hoe pakken we dat aan?

Moeiteloze inspanning
In Zenteksten kom je de begrippen 'moeiteloze inspanning' of 'het doel van doelloosheid' tegen, en dan het lijkt wel of we alleen maar hoeven te doen 'wat vanzelf komt'. En dat klopt ook in zekere zin maar het gaat er niet om dat je maar voor jezelf gaat doen 'wat vanzelf komt', dat zou alleen maar tot ongeremde impulsiviteit leiden. Wat we wel moeten doen, is wat vanzelf komt tot onze ongeboren Boeddhanatuur. En we oefenen nu juist om dat te ontdekken. En dat is trouwens minder paradoxaal dan het lijkt, want er bestaan diverse vormen van inspanning. De meest bekende vorm is die waarbij 'wij' alles onder controle hebben: we hebben een doel of een ideaal en we stemmen ons gedrag af op het bereiken daarvan. Dat geeft op meer dan één manier problemen. Ten eerste is er gewoon geen 'ik', ten tweede, doelstellingen of idealen zijn misschien leuke gedachten maar het zijn beroerde beschrijvingen van hoe de wereld echt in elkaar steekt; hetzelfde geldt voor mijn ideeën over wat tot verandering zal leiden; en tenslotte, wat 'we' ook mogen zijn, we lijken niet wijs genoeg om het leven te kunnen controleren. Met al die moeilijkheden kan het nauwelijks verbazen dat onze pogingen om onszelf te veranderen meestal anders uitpakken dan we hadden gehoopt.

Maar er bestaat nog een geheel andere vorm van inspanning. Daarbij gaat het meer om de 'bereidheid' dan om de 'wil'. En wel de bereidheid om de dingen van moment tot moment los te laten: ideeën, meningen, behoeften, angsten, idealen, oordelen, ... alles. Het is de bereidheid om te allen tijde steeds opnieuw te leren, open te staan voor nieuwe zienswijzen, of zoals zenmeester Dōgen stelde "om je door de Waarheid te laten storen". En het gaat om de bereidheid om te doen wat het eerst nodig is. "Doen wat het eerst nodig is" gaat meer over eerlijkheid en moed dan om wil. De eerlijkheid om wat voor ons staat recht in de ogen te zien, te zien wat de ongeboren Boeddanatuur ons voortdurend in alle eenvoud en helderheid voor ogen houdt. En dat vraagt om vertrouwen: vertrouwen in het bestaan van de wijze en barmhartige Boeddhanatuur, vertrouwen in het werk van de Boeddhanatuur zonder dat wij iets moeten sturen of controleren, en vertrouwen, dat wij daaruit de 'leer' kunnen opmaken door de directe ervaring van onze zintuigen, zonder analyse, angst, oordeel of zorg over wat we waarnemen. De moed is die om te doen wat er te doen valt en om af te zien van datgene wat duidelijk achterwege moet blijven. Dit is de 'moeiteloze inspanning'. Geen 'ik' komt daaraan te pas, geen idealen, geen denken of plannen van het hoe, geen controle, geen sturen. Het werk wordt gedaan door de Boeddhanatuur; de sturing is die van de Boeddhanatuur; de waarheid word geplaatst in de Boeddhanatuur. En, er zijn eenvoudigweg dingen die moeten gebeuren, en dingen waarvan men moet afzien.

De rol van toevlucht
Omdat mensen nu eenmaal mensen zijn, hebben we allemaal 'blinde vlekken' die dit proces in de weg kunnen staan. Zo kunnen bijvoorbeeld onze verborgen behoeften en angsten in de weg staan van de heldere blik op het simpele gegeven van 'wat het eerst nodig is'. In de wetenschap hiervan geeft het boeddhisme richtlijnen voor een veilige beoefening van de moed om te doen wat gedaan moet worden. Dat zijn de diverse leefregels, die in de vorige folder werden besproken. Omdat de bron van al die leefregels dezelfde Boeddhanatuur is, waarop we vertrouwen om te kunnen zien wat als eerstvolgende dient te gebeuren, weten we dat wat ons getoond wordt niet in conflict kan zijn met die leefregels. En omdat de allereerste leefregel die is van het toevlucht nemen tot de Boeddha, Dharma en Sangha, kunnen we afleiden dat wat ons getoond wordt niet in conflict kan zijn met de elementaire boeddhistische principes van de geschriften of met het wijze en barmhartige advies van de Sangha.

Als we erop vertrouwen dat er geen echt conflict tussen deze dingen kan zijn, betekent dat dat schijnbare conflicten, waar ze zich voordoen, niet kunnen zijn wat ze lijken. En in het algemeen betekenen zulke schijnbare conflicten dat er nog een 'stukje van de puzzel' te ontdekken valt. In zulke gevallen is het meestal wijs om te wachten en meer toevlucht te nemen alvorens te handelen, dit in het vertrouwen dat de dingen helder zullen worden. Als er bijvoorbeeld een verschil bestaat tussen wat wij waarnemen en wat een ander vertrouwd lid van de Sangha waarneemt, dan is het beter om af te zien van we gewoonlijk aannemen, namelijk dat de een gelijk heeft en de ander niet. Soms kan dat wel eens zo zijn, en dan zal de tijd en de oefening dat leren, maar erover kibbelen (in je hoofd of met de ander) is niet de manier om helderheid te krijgen. Het gaat waarschijnlijk eerder om een voorbeeld van het 'probleem poes'. De één ziet snorharen, en die zijn er ook echt, de ander ziet een oor, en ook dat is er echt. Onenigheid over de vraag of het nu 'echt' om snorharen of om een oor gaat, is niet nodig. Opnieuw toevlucht nemen en voortgaan met de oefening zal ook nog een pootje en een neus onthullen; langzaam zal duidelijk worden dat het niet alleen maar om snorharen of een oor ging, het ging om een poes. Het zou natuurlijk ook een stinkdier kunnen zijn! Wellicht is het beter om te wachten tot een staart in beeld komt, voordat we uitreiken en het oor strelen! Op andere momenten is het echter soms nodig om direct te handelen: we moeten dan moed vatten en zo goed mogelijk onze best doen, en bereid zijn om de gevolgen te dragen.

De wijsheid van niet weten
Alles wat hierboven besproken werd vraagt van ons om te accepteren dat we veel dingen niet weten. Zelfs als de volgende stap ons helder en eenvoudig voor ogen staat, is hij niet werkelijk gekend. Zichtbaar misschien, hoorbaar en tastbaar ook, maar niet kenbaar zoals onze geest zou willen. Dat lijkt karakteristiek voor Zentraining. Inderdaad, hoe verder we er in doordringen, hoe minder we weten, zelfs als er grote zekerheid bestaat over de dingen die we direct voor ons zien. Dit 'niet weten' is feitelijk een aspect van wijsheid, en zo vreemd als het lijkt, dat is veel nuttiger dan het 'weten' waarnaar we steeds op zoek zijn. Het is juist meestal dit 'weten' dat problemen veroorzaakt bij de beoefening van juiste inspanning. Wanneer we 'weten' hoe onze training dient te verlopen, dan oordelen we volgens die norm en proberen onze wilskracht te gebruiken om eraan te voldoen. De norm, het oordelen, het forceren en het willen voldoen, al dat leidt tot problemen en daarmee onherroepelijk tot meer lijden in plaats van tot bevrijding. Gaan we echter gewoon niet-wetend voort, dan kan dat allemaal worden voorkomen.

Maar waarom hebben we dan eigenlijk een Achtvoudig Pad nodig? Het doel daarvan is toch juist om ons te tonen hoe we effectief moeten oefenen? In zekere zin is dat natuurlijk zo: de mensheid kent geen betere richtlijn voor vrede en waar begrip. Maar op een ander niveau is dat helemaal niet het doel. Het is geen lijst van dingen die je moet kennen en doen, geen norm waaraan jij of anderen moeten voldoen, geen set gereedschap, waarmee je jezelf kunt repareren. Wat het wel biedt, is een toegang. Je kunt er dagelijks doorheen stappen, oprecht en vol goede moed, niet wetend. De ware plaats van de toegang ligt in het diepst van ons hart, niet in onze wetende geest. Het doet zijn werk door ons de eerstvolgende, eenvoudige stap te tonen. Het is onze taak om die stap telkens opnieuw oprecht en naar ons beste kunnen te nemen. En zoals eerwaarde meester Jiyu-Kennett zei, dat is alles wat het boeddhisme ooit van ons zal vragen. En dat is genoeg.

Oorspronkelijke titel:
Publicatiedatum: 2001
Vertaling: Eerw. Hakuun Barnhard en Michel Tille

in 1968 boeddhist in onder leiding van eerw. Eugene Wagner van de American Buddhist Order, en hij werd in 1973 tot monnik gewijd door Eerw. meester Jiyu-Kennett in Shasta Abbey. Hij werd in 1978 benoemd tot meester en was hoofd van de  Orde van Boeddhistische Contemplatieven tot zijn dood door lymfatische kanker in april 2003 op 57-jarige leeftijd.