Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 1


 “Zazen is je bewust worden van wat je altijd al had
en niet het zoeken naar een ervaring die je voldoening schenkt en al je problemen oplost.”

 

Zittend Boeddha gaat over zazen, een term die letterlijk ‘zittend mediteren’ betekent, maar die in de loop van de tijd is gaan verwijzen naar een specifieke en fundamentele vorm van meditatie die de basispraktijk van Sōtō-Zenboeddhisme is. Deze stroming binnen het boeddhisme omvat ook de traditie van de Stille Belichting Meditatie, die doorgegeven werd door de eerwaarde meester Jiyu-Kennett¹. Zij hielp deze traditie naar het Westen te brengen en gebruikte vaak de traditionele Chinese term ‘stille belichting meditatie’ om zazen te beschrijven. In dit boek zal ik beide omschrijvingen afwisselend gebruiken.

Om te beginnen is het goed om de stille belichting meditatie in haar boeddhistische context te plaatsen. Het onderricht van de Boeddha was gericht op één doel: ons te laten zien hoe we het einde van lijden kunnen vinden. Hij benoemde onwetendheid en begeerte als oorzaken van ons lijden en wees ons een weg naar bevrijding hiervan. Deze weg begint met erkenning van de noodzaak om zelf de training aan te gaan. Dit komt voort uit een innerlijke ervaring en uit het inzicht dat iedereen door lijden wordt geraakt, dat alles vergankelijk is en dat er niets bestaat waarin wij ware toevlucht kunnen vinden. Vervolgens gaan we de noodzaak inzien van een ethische levensweg, zodat we vrede en rust leren kennen en dan ontstaat ook de wens om anderen te helpen, omdat we zijn gaan begrijpen dat zij net zo lijden als wij.

Het verlangen om alle wezens te helpen en een geest van mededogen te ontwikkelen, is een fundamenteel onderdeel van de training in het boeddhisme. Als we eenmaal beginnen te trainen, zal door onze ervaringen wijsheid als essentiële tegenhanger van mededogen ‒ geleidelijk toenemen. De weg ontvouwt zich als een opwaartse spiraal: als we ons leven op orde brengen en er een beetje wijsheid groeit, kunnen we helderder zien. Dan wordt het duidelijk dat we verder moeten gaan met trainen, waardoor we meer mededogen ontwikkelen en dat verdiept weer onze wijsheid ‒ en zo gaat het door totdat verlichting wordt gerealiseerd. Aansporingen om een goed leven te leiden blijven zonder waarde als we niet over de middelen beschikken om inzicht in lijden en de aard van ons leven te ontwikkelen, zodat we zien hoe we kunnen veranderen. Zolang we dat inzicht niet ontwikkelen, weten we ook niet hoe we moeten veranderen. Stille belichting meditatie geeft ons die middelen.

De Boeddha onderwees dat lijden wordt veroorzaakt door een verkeerd begrip van onze zintuigen, doordat we de signalen zodanig interpreteren dat we denken dat er een ‘ik’ is. Het lijkt dan alsof er dingen gebeuren met ‘mij’. Ik heb de indruk dat ik één ding ben en de wereld om mij heen een ander. Ik voel me aangetrokken tot plezier maken en vermijd pijn. Deze basale motivatie komt voort uit het gevoel een ‘ik’ te zijn die tegenover de wereld staat. Dit ‘ik’ is zeer onzeker en wil voortdurend bevestigd worden. Het vindt rijkdom en liefde geruststellend ‒ het ‘ik’ wil alles waardoor het wordt bevestigd en smacht er zelfs naar. Het ‘ik’ is zich scherp bewust van zijn kwetsbaarheid en schrikt terug voor alles wat als een bedreiging wordt gezien. Als het ‘ik’ wordt gedwarsboomd of bedreigd, wordt het kwaad. De kwaadheid varieert van een kleine irritatie tot een razernij waarin wij anderen totaal willen vernietigen. Allerlei verblindende gemoedstoestanden, zoals jaloezie en trots, vinden hun oorsprong in dit ‘ik’.

Door vraagtekens te plaatsen bij de algemene opvatting dat dit ‘ik’ echt en blijvend is, leert het boeddhisme ons dat het ‘ik’ dat wij zo koesteren geen eigen, onafhankelijk bestaan heeft en niet kan bestaan zonder al het andere dat er is zoals het is. Alle vormen van bestaan zijn onderling afhankelijk en dus is het een illusie om het ‘ik’ als een afzonderlijk ding te beschouwen. We kunnen dit eenvoudig zien als we observeren hoe een kleine verandering in de omgeving ook onze gemoedstoestand verandert. Als de zon doorbreekt, word ik vrolijker; als ik een beetje kritiek krijg, versombert mijn stemming. Dit ‘ik’ van ons is erg afhankelijk van dingen buiten onszelf, waar we meestal geen controle over hebben. Hoe meer we hechten aan het ‘ik’, hoe meer we lijden en slaven worden van onze hebzucht en angst. Hoe meer we lijden, hoe meer we zoeken naar plezier of bevestiging. En juist dit zoeken houdt het lijden alleen maar in stand, in plaats van dat het er een eind aan maakt. Alle dingen die ik zoek zijn vergankelijk en mijn geest is dat ook. Ik kan wel krijgen wat ik wil, maar al snel denk ik weer iets anders nodig te hebben. Zo raak ik verstrikt in voortdurend verlangen en ben ik nooit tevreden.

Recent onderzoek naar de manier waarop hunkeren zich manifesteert in onze hersenen laat zien dat hier twee circuits bij betrokken zijn. Één wordt geassocieerd met prettig vinden of genieten, en het andere met iets willen hebben. “Beiden gaan vaak samen, zodat we de dingen begeren die we prettig vinden. Maar bij hevig verlangen blijken de verbindingen die te maken hebben met het begeren, sterker te zijn geworden terwijl de verbindingen die te maken hebben met je lekker voelen, zwakker blijken te zijn. Naarmate we ons minder prettig gaan voelen of we minder van iets kunnen genieten en onze begeerte steeds groter wordt, willen we steeds meer hebben en genieten we er steeds minder van. We blijven de begeerte constant voelen – maar we hebben meer nodig om er net zoveel van te kunnen genieten. Dit is een ernstig probleem dat schuilgaat achter hevig verlangen.”²

Het boeddhisme heeft zeer subtiele meditatiemethodes ontwikkeld om zowel met hunkeren, als met woede en de verschillende vormen van verwarring om te gaan. Dōgen’s onderricht over zazen is één van de hoogtepunten van dit rijke erfgoed. Als je je daar steeds verder in verdiept, beginnen hebzucht, haat en verwarring te vervagen en als dat gebeurt ontdek je hoe je kunt leven vanuit het mededogen, de liefde en de wijsheid die in jezelf onthuld worden.

Dogen was de monnik die Sōtō-Zen van China naar Japan bracht, hij leefde van 1200-1253. Hij onderwees dat zazen een uitdrukking is van Boeddhaschap en dat het zitten in zazen de manifestatie is van de Boeddhanatuur of verlichting. Wij zijn de Boeddhanatuur, omdat alle bestaan er onlosmakelijk mee verbonden is. Zitten in zazen is het laten gaan van onze hebzucht, boosheid en verwarring, zodat het licht van de Boeddhanatuur kan stralen. Zo bezien is zazen niet een methode om verlichting te realiseren, het is verlichting zélf. Maar als dit onbekend terrein voor je is, kan je wel wat praktische hulp gebruiken om op gang te komen.

Zazen is het meest fundamentele niveau van gewaarzijn in de geest. Het is een zuiver weten dat in zichzelf helder en compleet is. Het is de oorspronkelijke geest die iedereen heeft en die onze ware natuur is. Maar het vraagt veel training om deze te leren herkennen en vervolgens in ons leven te verwezenlijken. Als kennis van de ware natuur in jezelf begint te ontwaken, is daar een licht dat zelfs door de onrust van leven en training nooit helemaal wordt gedoofd, mits je met grote toewijding en inzet doorgaat met je training. Resten van de hartstochten zullen blijven opspelen en het wordt nog belangrijker om aan ze te werken, maar het pad blijft duidelijk zolang we doorgaan. Onder alles wat komt en gaat ligt de kennis van onze ware natuur. Je kunt verdriet hebben of allerlei ellende meemaken, maar daaronder ligt een onverminderd helder weten dat het universum zuiver is zoals het is. Je kunt op die plek van diep intuïtief weten alleen komen als je bereid bent alles los te laten waaraan je geest zich hecht. Zodra je je weer ergens aan vastklampt, zal je die plek opnieuw verduisteren. Als je die dwaling herkent en loslaat, ontdek je dat je die plaats nooit hebt verlaten. Je kunt de ware natuur niet kennen als je niet bereid bent om het ego en zijn gehechtheden te laten gaan. Daarom moeten we zitten met een scherpe en heldere geest die niet opzettelijk gedachten en gevoelens oproept, maar zich toch bewust is van alle gedachten en gevoelens die opkomen. Om de aard van deze zuivere geest te kennen, moeten we die toepassen en in wezen is dit mogelijk omdat wij die geest zijn. Mijn meester Eerwaarde Meester Jiyu-Kennett vatte dit bondig samen: “Kijk met het oog van een Boeddha en je zal het hart van een Boeddha zien”.

Als je eenmaal de ware natuur kent en van daaruit begint te leven, komen vertrouwen en vreugde vanzelf. Het allerbelangrijkste is dat er een diepe en duurzame betrokkenheid ontstaat met anderen en dat het doen wat goed is om te doen de grondslag wordt van ons leven, in plaats van te doen wat ‘ik’ wil. Het boeddhisme leert dat onwankelbaar vertrouwen in de ware natuur leidt tot Boeddhaschap, waar hebzucht, haat en begoocheling tot een definitief einde komen.

In mijn ervaring wordt de ware natuur geleidelijk aan gerealiseerd. Omdat dit nogal verschillende vormen kan aannemen, moet je niet de plotselinge flits van inzicht verwachten die in sommige zenliteratuur zo sterk wordt benadrukt. Ik heb ondervonden dat het in zazenonderricht beter is om kenshō, vaak omschreven als het zien van de ware natuur in één ervaringsmoment, niet te benadrukken. Het werkt contraproductief om de kensho-ervaring te gebruiken als een lokkertje om mensen tot trainen aan te zetten. Het streven naar bepaalde ervaringen helpt niet. Voor iedereen die traint geldt dat we onze gehechtheid aan vormen, ideeën en begeerde objecten moeten opgeven. Zodra we ons aan iets vastklampen, wordt ons pad geblokkeerd. Als er veel nadruk wordt gelegd op kenshō, kan dat leiden tot een minderwaardigheidsgevoel bij iemand die met een oprecht hart traint en wiens training zich niet noodzakelijkerwijs zo ontvouwt. De ervaring van verlichting hebben we niet in de hand. Velen die al jaren met grote oprechtheid trainen, ervaren kenshō niet als een plotselinge flits van ontwaken, maar als een diepe innerlijke verandering die zich in de loop van de tijd voltrekt. Dat kan zo geleidelijk gaan, dat men niet eens merkt dat het zich voltrekt. Maar dan beseft men ineens, zonder veel ophef, wat er vanaf het begin al was. Voor anderen speelt een plotselinge ervaring een belangrijke rol in dit proces en veel van wat er over zen is geschreven, komt voort uit hun perspectief.

Zazen is je bewust worden van wat je altijd al had en niet het zoeken naar een ervaring die je voldoening schenkt en al je problemen oplost. Het voornaamste is dat we aanvaarden wat er komt en de bereidheid ontwikkelen om onszelf helder te zien. In plaats van te leven om te krijgen wat we willen, verandert zazen ons in mensen die dankbaar zijn voor wat ze hebben en daardoor worden wij meesters in het vinden van juwelen op de meest verrassende plaatsen.

Noten:
Ad¹: Eerwaarde meester Jiyu-Kennett (1924-1996) was een engelse vrouw die, na jaren studie in Japan, in 1968 als één van de eerste westerse vrouwen als zenmeester werd erkend. Zij richtte de Orde van Boeddhistische Contemplatieven op en vervolgens twee opleidingskloosters: Shasta Abbey in Californië and Throssel Buddhist Abbey in Noord-Engeland.

Ad²: Daniel Goleman: Destructieve emoties; een dialoog met de Dalai Lama; Uitgeverij Contact; 2003; blz. 262.

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.

Vervolg hoofstuk 2: De fysieke aspecten van zazen (pdf)