Het nu staat in zekere zin centraal in het boeddhisme en andere religies en spirituele tradities, want het is allesbepalend. Eckhart Tolle gaf zijn eerste boek de mooie titel ‘De kracht van het Nu’. En de christelijke mysticus meester Eckhart (1260-1327) schrijft: “Waar vind je God? Waar geen gisteren is of een morgen, maar waar een hier is en een nu. Daar vind je God.” En de Boeddha sprak over het veranderlijke en het onveranderlijke. En wat onveranderlijk is, is altijd hier en nu.

Onze aandacht is altijd gericht op wat komt en gaat, op wat een geschiedenis heeft, een ontwikkeling of evolutie doormaakt, en een toekomst heeft. En dat betreft naast onszelf en wat er in ons omgaat ook anderen en de wereld om ons heen.

Hoe weinig komen we volledig terug naar dit hier en nu. Meditatie is een uitnodiging om te rusten in dit hier en nu, een uitnodiging om alles wat een verleden en toekomst heeft even los te laten want dit nu zelf heeft geen verleden en toekomst. De uitnodiging om terug te komen naar het nu is de uitnodiging om te ervaren en te exploreren wat dit nu in feite is. Wat als ik al wat verleden en toekomst heeft, wat een ontwikkeling, een verandering of evolutie meemaakt, loslaat, wat blijft dan over?

Wat overblijft heeft geen naam want we geven alleen een naam aan dat wat een geschiedenis heeft en een toekomst. Zo vraagt Mozes aan God in de bijbel (geparafraseerd): Heer, bij welke naam zal ik u kennen? En God antwoordt: “Ik ben die ik ben”. (‘Jahweh’ betekent ‘Ik ben’ en is een vorm van het werkwoord ‘Haja’ (zijn/er zijn).) God had ook kunnen zeggen: Ik ben het Zijn. God is naamloos. God is en dat is precies wat het hier en nu is: zijn. Laten we dit zijn niet steeds weer invullen met een woord of een naam want meteen wordt het daarmee iets wat een verleden heeft, een toekomst en een ontwikkeling doormaakt. Het wordt dan iets wat misschien gezocht of gevonden moet worden, verbetert, bezeten, bestreden, etc..

Dit nu is zijn. En er is maar één zijn en dat zijn is hier en nu. Het nu is tijdloos aanwezig. Laat daarom even je betrokkenheid bij wat komt en gaat, bij verleden en toekomst even gaan en zie dat wat overblijft zijn is. Het is waar we God vinden, of de Boeddha, en niet alleen op je meditatiekussen of bankje, in een tempel of spiritueel centrum, maar precies daar waar je je nu bevindt. En zoals de Chinese Zenmeester Tung-shan Liang-jie (Japans: Tozan Ryokai, 807-869) schreef in zijn gedicht ‘De meest verheven Spiegel – Samadhi’: “Jij bent hem niet, Hij is al wat jij bent.”1

De Boeddha verwoordde het als volgt: “Monikken, er is het ongeborene, het ongewordene, het ongemaakte, het ongeconditioneerde. Als dat ongeborene, dat ongewordene, dat ongemaakte, dat ongeconditioneerde er niet zou zijn, dan zou er hier geen wegebben van wat geboren, geworden, gemaakt, geconditioneerd is gekend worden.” (Udana, VIII.3)

Baldwin Schreurs

* * * * *

 

Ad 1) Uit: The Liturgy of the Order of Buddhist Contemplatives for the Laity, 1990.