Vrijgevigheid, geven, of naastenliefde (in het Sanskriet is het woord voor deze begrippen ‘dana’) is de eerste van de zes paramita’s of de zes perfecties. De andere zijn moraliteit, verdraagzaamheid, toewijding, meditatie en wijsheid. Het woord ‘paramita’ betekent ‘overtreffen’, ‘overschrijden’, of ‘naar de andere oever gaan’, met andere woorden: verlichting bereiken. Van oudsher zijn de paramita’s deugden die door een bodhisattva worden beoefend om verlichting te bereiken.

Echter vanuit het oogpunt van Zen worden de paramita’s niet zo zeer als oefeningen gezien om ons te helpen op onze weg naar de andere oever, oftewel naar verlichting in de toekomst, maar meer dat wij hier en nu verlichting realiseren wanneer we deze paramita’s beoefenen, met andere woorden: wanneer we geven. Shunryu Suzuki zegt in ‘Zen-Begin’:

“Prajna paramita, de echte wijsheid van het leven, is dat met elke stap van de weg de andere oever feitelijk bereikt wordt. De andere oever te bereiken met elke stap van het oversteken is de weg van het ware leven”.

We zullen later terugkomen op dit beeld van de andere oever.

Een naar buiten gerichte uitdrukking

Van oudsher is vrijgevigheid de eerste paramita. Evenzo is naastenliefde de eerste van de vier wijsheden of de vier tekenen van verlichting. De andere zijn zachtheid, welwillendheid en mededogen. Een van de redenen hiervoor is dat vrijgevigheid de uitdrukking is van diepste meditatie. Het is heel gewoon dat we in eerste instantie tot meditatie of Boeddhisme komen om een einde van lijden te vinden. We zijn op zoek naar vrede, tevredenheid, of enig doel in ons leven, en dus richten we onze blik naar binnen. Vrijgevigheid is een naar buiten gerichte uitdrukking van wat we in meditatie vinden. Zo brengen we ons inzicht in de praktijk. Er wordt wel gezegd dat als we beginnen met trainen, we voor onszelf trainen; als we dan verder gaan, trainen we voor anderen, om anderen te helpen; en uiteindelijk is er alleen maar training om de training zelf. Met andere woorden, we doen het gewoon omdat dat het enige is om te doen. Vrijgevigheid helpt ons om deze ontwikkeling te doen plaatsvinden en zo heeft vrijgevigheid een centrale rol in onze praktijk. Aan de ene kant is het een uitdrukking van niet-gehechtheid, geen-zelf, niet-twee, aan de andere kant worden we dieper in het hart van de meditatie getrokken als we ons richten op vrijgevigheid. Dit komt omdat waarachtig geven vereist dat we de aspecten van het zelf loslaten die onze natuurlijke verlichte staat verhullen. We moeten twijfel, angst en vastklampen laten wegvallen zodat er alleen maar roep en antwoord is. En uiteindelijk is er geen zelf, geen ander en geen geven; we zullen hier later in meer detail naar kijken.

Door zo te handelen, door onbaatzuchtig te geven, geven we op datzelfde moment uitdrukking aan verlichting. Waarschijnlijk hebben we allemaal wel eens een glimp hiervan opgevangen, als we op een bepaald moment een goede daad verrichtten of iets vriendelijks deden zonder dat van te voren te analyseren. We zagen gewoon wat nodig was en reageerden op de goede manier. We hebben allemaal een diepgewortelde wens om anderen te helpen en dat is vaak een reden waarom een spirituele weg ons aantrekt. We zijn ons bewust van een meedogende natuur die tot uitdrukking wil komen, maar we zien ook hoe we het laten gebeuren dat onze onderliggende goedgeefsheid en mededogen verdoezeld worden. Er zijn momenten dat we ontmoedigd raken als onze oprechte wens om te geven en helpen een averechtse uitwerking heeft, als het niet het effect heeft dat we verwachtten of waarop we hoopten.

Het ‘zelf’ opzij zetten

De noodzaak om het zelf opzij te zetten is hier de belangrijkste factor als we werkelijk willen kunnen geven. Als we op een eerlijke manier naar onze handelingen kijken, zullen we ontdekken dat we vaak geven of ons vrijgevig gedragen omdat we iets willen; misschien dankbaarheid of bevestiging of misschien een goede indruk op anderen maken. We zitten ook vaak vast in ons eigen antwoord, we zijn dan niet afgestemd op de nuances en subtiliteiten van wat nodig is of op de veranderende situatie. Als we onzelfzuchtig geven, zit er geen zelf tussen dat uitzoekt of het wel de moeite waard is om te geven (“wat kan ik hier uithalen?”). Er is alleen maar een rechtstreekse roep en antwoord zonder de gebruikelijke kosten-batenanalyse die we geneigd zijn te maken. Als we onbaatzuchtig geven verwachten we niets terug, geen beloning, noch een complimentje, noch dankbaarheid. We zijn niet gehecht aan de gevolgen van geven. Zenmeester Dogen zegt in de Shobogenzo, in het hoofdstuk ‘Bodaisatta Shisho-ho’ (‘De Bodhisattva’s Vier Methoden van Advies’, ook vertaald als ‘De Vier Manieren waarop een Bodhisattva Handelt ten Voordele van Mensen’):

“‘Geven’ betekent geen hebzucht. Geen hebzucht betekent niet begeren. Niet begeren betekent niet in de gunst proberen te komen”.

Met andere woorden, als we iets verwachten, bijvoorbeeld dankbaarheid, is dat feitelijk een vorm van hebzucht of begeerte en geen waarachtig geven. Nog een belangrijk aspect van onzelfzuchtig geven is om geen onderscheid te maken tussen mensen (“deze persoon vind ik aardig en ik vind het prettig om aan haar te geven, maar aan die ander wil ik niet geven”). En het maakt ook niet uit wat er wordt gegeven, hoe klein het ook is. Dit is iets wat Dogen sterk benadrukt, zoals de volgende citaten uit hetzelfde hoofdstuk van de Shobogenzo laten zien:

“Of het nu de leer is of iets materieels, ieder geschenk heeft z’n waarde en is waard om gegeven te worden….. De vraag is niet of het geschenk kostbaar is, maar of er verdienste is.”

“Een koning schonk zijn baard als medicijn om zijn zieke bediende te genezen; een kind gaf zand aan de Boeddha en werd koning Ashoka in een latere geboorte. Ze begeerden geen beloning maar deelden gewoon wat ze konden.”

“Zelfs als je een greintje stof geeft kun je je verheugen in je eigen daad, want je geeft op juiste wijze de verdienste van alle Boeddha’s door en handelt voor het eerst als een bodhisattva.”

Bovendien kan alles wat we doen en maken geven zijn, zolang er geen ‘ik’ is die doet of maakt. Zenmeester Dogen zegt in de Shushogi (Aanwijzingen bij het mediteren) over dit onderwerp het volgende:

“Het is een daad van naastenliefde om een veerboot of een brug te bouwen en alle soorten vlijt zijn naastenliefde als ze anderen ten goede komen.”

Onze intentie

Dus de kost verdienen en dingen maken kan geven zijn. Als we ons werk zo oprecht mogelijk en van ganser harte doen, is dat geven. En zo kunnen we zien dat het belangrijkste aspect van geven niet is wát we geven, maar met welke intentie we het geven, zoals Dogen nogmaals benadrukt in de Shobogenzo Bodaisatta Shisho-ho:

“Geef zelfs maar een zinsnede of versregel van de waarheid: het zal een heilzaam zaadje zijn voor dit en andere levens. Geef uw kostbaarheden, of zelfs een stuiver of grasspriet; het zal een heilzame basis zijn voor dit en andere levens. De waarheid kan veranderen in kostbaarheden; kostbaarheden kunnen veranderen in de waarheid. Dit kan allemaal omdat de gever bereidwillig is.”

Onze bereidwilligheid of ons ‘ja’ is belangrijk, vooral om ons door moeilijke tijden heen te helpen. We hoeven niet te wachten tot we ervan overtuigd zijn dat de laatste restjes van ons zelf zijn opgelost, zodat we er zeker van kunnen zijn dat ons geven onbaatzuchtig is. De geest kan altijd excuses of redenen vinden om niets te doen, om het zelf te verdedigen. In geval van twijfel kunnen we beter wel iets doen en vrijgevig zijn, ook al vergissen we ons. We zien bijvoorbeeld wat in een bepaalde situatie gevraagd wordt, maar merken ook dat we in ons hoofd mopperen en klagen. In zo’n geval is het toch goed om door te gaan en te doen wat nodig is. Misschien voelen we ons niet grootmoedig, maar we kunnen wel op een grootmoedige manier handelen. Dit geeft ons een zetje in de goede richting – het is een uitdrukking van ons streven, ook al schieten we misschien een beetje tekort in de uitvoering.

Een extra stap zetten

Terwijl we dit gebied onderzoeken, moeten we altijd bereid zijn om die extra stap te zetten. Toen ik nog een novice was kreeg ik vaak het volgende te horen: “ja, je hebt gedaan wat je gevraagd was én je had nog dat beetje extra kunnen doen”. Met andere woorden, ik had een klein beetje meer kunnen geven. Dit is een zeer belangrijke les en uiterst behulpzaam, vooral als we het moeilijk hebben. Het is o zo makkelijk om opgesloten te raken in ons eigen kleine wereldje van ellende en grenzen te stellen aan wat we denken te kunnen doen en meestal is dat alleen maar waartoe we bereid zijn (“tot hier en niet verder”, “dit is redelijk en dat wil ik wel doen, maar dat is niet redelijk, dat is te veel”). Daarom is geven zo waardevol in onze praktijk. Wanneer we dat beetje extra geven verleggen we onze grenzen en hoe meer we dat doen, hoe meer vraagtekens we zetten bij de beperkingen die we ons opleggen, zodat we er achter komen dat die beperkingen door onszelf gefabriceerd zijn. We gaan inzien dat de wereld van lijden waar we in zitten door onszelf geschapen is.

We kunnen dus op zoek gaan naar kansen om te geven en dankbaar zijn voor zulke gelegenheden. Het is niet nodig om de andere persoon te zien als iemand die bij ons in het krijt staat. Zodra we hebben gegeven kunnen we vergeten wat we gedaan hebben, we hoeven er niet alsmaar in ons hoofd mee bezig te zijn. We kunnen zelfs geven in situaties waar we maar weinig praktische hulp kunnen bieden, omdat we de verdiensten van onze praktijk kunnen opdragen aan het welzijn van alle wezens. Dat wil zeggen, de weldaden van onze praktijk worden aan anderen opgedragen opdat zij een einde van lijden kunnen gaan ervaren. We kunnen onszelf er ook zo nu en dan aan helpen herinneren dat het een vorm van geven is om iemand anders te laten geven. We moeten niet bang zijn om anderen aan ons te laten geven. Omdat we onszelf niet goed genoeg vinden (“ik wil niet lastig zijn”, of “hij meent het niet echt”) kan het zijn dat we hier wat moeite mee hebben en nogal verlegen worden als we aan de ontvangende kant staan van iemands vrijgevigheid.

Mededogen voor onszelf

Wat we ook moeten gaan beseffen is dat het prima is om aan onszelf te geven, om aardig te zijn voor onszelf. Niet oordelen en geen onrealistische doelen stellen zijn belangrijke manieren waarop we aan onszelf kunnen geven. Het is bijvoorbeeld makkelijk om ontmoedigd te raken door al het gemopper in ons hoofd waardoor we misschien sommige van onze grootmoedige daden negeren. Soms lijkt het wel of iedereen om ons heen vriendelijk en bereidwillig is en dat ik de enige ben die moeite heeft met geven. Maar dat is voornamelijk omdat we alleen maar kunnen weten wat zich in ons eigen hoofd afspeelt en niet in de hoofden van anderen kunnen kijken. Als dat wel zou kunnen, zouden we daar zo goed als zeker dezelfde weerstanden vinden. We moeten op dit gebied voor ogen houden dat wijs onderscheid noodzakelijk is om een middenweg te vinden tussen apathie (als we niets doen) en burn-out (veroorzaakt door te veel te doen). Ja, het is goed om vrijgevig naar anderen te zijn én het is ook goed om vrijgevig naar onszelf te zijn. Als we zien dat we doorschieten naar een bepaalde kant hoeven we dat alleen maar weer bij te stellen.

Acceptatie

Met ‘doen’ is niet alles over ‘geven’ gezegd. Dingen laten zijn zoals ze zijn kan ook geven zijn. Zenmeester Dogen drukt dit op een poëtische manier uit in de Shobogenzo Bodaisatta Shisho-ho:

“Bloemen overlaten aan de wind en vogels overlaten aan de seizoenen zijn ook daden van geven.”

Geven is dus niet alleen maar actie; acceptatie is een vorm van geven aan de situatie. Dit benadrukt het belang van luisteren en vragen “wat is goed om te doen?” in een situatie. Om te kunnen bepalen wat goed is om te doen nemen we meditatie en de leefregels als onze basis en uitgangspunten. We moeten vertrouwen hebben in ons hart en in ons antwoord en doorgaan met diepgaand luisteren terwijl de situatie zich ontvouwt.

Tot dusver hebben we op een tamelijk algemene manier vanuit een Boeddhistisch perspectief naar vrijgevigheid gekeken en met name vanuit het standpunt van onze Soto-Zentraditie. Nu zullen we specifieker worden en kijken naar wat vrijgevigheid voor ons betekent als we in meditatie zitten en vervolgens wanneer we in meditatie verkregen inzichten meenemen in ons dagelijkse leven. In feite kan alles wat ik ga zeggen van toepassing zijn op iedere deugd, iedere positieve eigenschap die we zouden willen ontwikkelen.

Zijn zonder ideaalbeeld

Wij proberen met onze vorm van meditatie, stille-belichting-meditatie, niet iets te vervaardigen. We proberen dus ook niet om vrijgevigheid op te roepen in de meditatie. Er zijn sommige meditatiepraktijken die wat dit betreft anders te werk gaan, zoals de mettabhavana, waarbij men zich sterk inspant om metta of liefdevolle vriendelijkheid op te wekken en die naar zichzelf en anderen te sturen. Dit is een zeer mooie praktijk, maar het is niet onze methode. We moeten er voor waken dat we vrijgevigheid als een ideaal of denkbeeld opwerpen waar we ons aan vastklampen (“ik wou dat ik vrijgeviger was, dat ik meer kon geven, wat zou ik dan een beter mens zijn”). Het is erg verleidelijk om een beeld te creëren van hoe we zouden willen zijn (misschien hoe we feitelijk soms al zijn, als we een goede dag hebben). Maar we hebben dan de neiging om onszelf steeds weer langs die meetlat te leggen en zien dan waar we te kort schieten, vervolgens is ons oordeel dat we niet aan de eisen voldoen of we vinden onszelf een slechte trainee, en uiteindelijk staat dit ons in de weg. Onze praktijk laat ons kijken naar wat we hier en nu hebben zodat we gaan beseffen dat dit genoeg is. Hierdoor kunnen we onze vrijgevigheid blootleggen, een vrijgevigheid die we van nature hebben en die er dus altijd al is, maar die overschaduwd wordt door wat we er tussen laten komen, met name onze twijfels en meningen.

Hoe dan ook, als we beginnen te kijken naar wat we hier en nu hebben, kan dat ontmoedigend zijn. Het lijkt wel of we vaak de vraag moeten stellen: “Waarom sta ik vrijgevigheid in de weg?” of “Hoe komt het dat ik wegloop of aarzel als ik zou kunnen helpen?”. Daarvoor kunnen er in verschillende situaties uiteenlopende redenen zijn. Misschien laat ik me weerhouden door twijfel (“ik zal er wel een potje van maken”, “ik kan er maar beter niet bij betrokken raken want ….”) of misschien ben ik wel jaloers op die persoon (“alles zit haar mee, waarom zou ik helpen?”) of misschien ben ik wel veroordelend (“hij steekt nooit een vinger uit om te helpen, waarom zou ik alles moeten doen?”) of misschien ben ik gewoon uit m’n humeur (“waarom zou ik ‘t doen? Het komt altijd op mij neer.”) of misschien vind ik het eng om op de voorgrond te treden (“ik wil niet voor schut staan als alles mis gaat.”) of anders ben ik misschien wel inhalig omdat ik nog meer wil hebben en het wil vasthouden om een reservepotje op te bouwen zodat ik me gerustgesteld en veiliger kan voelen (“ik heb hier zo hard voor gewerkt, waarom zou ik daar iets van weggeven?”, “wie weet heb ik dit in de toekomst nodig, ik kan het dus beter niet zomaar weggeven”). Er kunnen nog veel meer redenen zijn die ons weerhouden, maar in feite is de specifieke reden niet zo belangrijk, want met welke rechtvaardiging we ook komen, we kunnen er vraagtekens bij zetten. Hier is het van belang dat als we goed kijken, we zullen zien dat al deze gedachten verband houden met een bepaald gevoel, een opgesloten, verkrampt, bekrompen, nerveus, gespannen, vastgeknoopt gevoel, dat zó onaangenaam en onplezierig is dat we meestal iets gaan doen om het te proberen te verlichten en dit vormt de basis van onze geconditioneerde reacties in bepaalde situaties. We kunnen in de meditatie hieraan beginnen te werken en het onderzoeken. Wanneer het opgesloten gevoel opkomt kunnen we ons er simpelweg van bewust worden en het laten zijn, er mee zijn. We hoeven er niet op te reageren, maar in plaats daarvan kunnen we vragen wat goed is om te doen en ons antwoord kan een natuurlijke opening bieden. Als we dit doen worden we dieper en dieper, rechtstreeks naar het loslaten gevoerd wat het hart van de meditatie is.

De eerste stap is om het gespannen, opgesloten gevoel te herkennen en ons bewust te worden in wat voor situaties dit voorkomt. Vervolgens moeten we vertrouwd raken met de manieren waarop we gewoonlijk reageren in deze situaties. Als we ons bewust worden van dit gevoel hoeven we onszelf niet te veroordelen. Dit soort gevoelens, die ontstaan uit een egocentrisch standpunt, zijn heel begrijpelijk, net als de defensieve reacties die er uit voortvloeien. Op deze manier heeft de mens zich ontwikkeld en tot nu toe kunnen overleven als soort. Maar wij, als meditatiebeoefenaars, kunnen iets anders doen als deze gevoelens optreden. De sleutel is dat we niet op de gebruikelijke manieren hoeven te reageren. Naarmate we meer vertrouwd raken met onze reacties, kunnen we naar onszelf glimlachen en “oh, dit weer” denken als we onze karakteristieke gedragspatronen herkennen. Ik kan bijvoorbeeld gaan inzien dat ik me iedere keer weer druk maak als een bepaald persoon me in een bepaalde situatie vraagt om te helpen; ik wijs op alle moeilijkheden, wat er allemaal fout kan gaan, mopper in mezelf hoe belachelijk de situatie wel niet is en hoe oneerlijk het is dat ze mij heeft gevraagd om te helpen. Maar uiteindelijk doe ik altijd wat me gevraagd wordt. Hoe meer ik mediteer, hoe meer ik me kan gaan realiseren dat ik met het ongemakkelijk gevoel dat opkomt kan zijn, zonder me op te winden, en misschien komen er behulpzame inzichten zoals de herkenning dat het ongemakkelijke gevoel er is omdat ik bang ben dat ik de taak niet aankan. Ten slotte kom ik in een stadium waarin ik kan ophouden met me op te winden en gewoon door kan gaan en doen wat me gevraagd is. Met andere woorden, we hebben eerder onze gebruikelijke reacties in de gaten, we worden eerder gewaarschuwd en met enige inspanning kunnen we die reacties veranderen (in zo’n situatie heb ik de neiging om op deze manier te reageren, maar eigenlijk hoef ik dat niet te doen”).

Op de momenten dat we zien dat we onszelf gaan afsluiten kunnen we ons best doen om open te blijven. Ik loop bijvoorbeeld over straat en zie dat iemand waarmee ik onenigheid heb gehad of met wie ik het gewoon niet goed kan vinden mijn kant opkomt. Terwijl ik die persoon nader voel ik dat er iets in mij samentrekt, dat er een luik dichtvalt, en ik heb een misselijk gevoel van “oh, nee, dat is hij” en misschien wil ik dan wel iets scherps zeggen voordat hij de kans krijgt om me te kwetsen. Maar in plaats daarvan probeer ik licht te glimlachen, zeg niets en loop door. Ik kan zijn met het gevoel me te willen afsluiten en iets lelijks te willen zeggen, maar ik hoef er niet naar te handelen. Die andere persoon zal niets gemerkt hebben van wat zich in mij afspeelde en heeft me misschien wel helemaal niet opgemerkt, maar de moeite die ik heb gedaan kan een geweldige stap voorwaarts zijn in mijn praktijk en zal hebben bijgedragen aan het bevorderen van de algemene harmonie. Dit is geven aan de situatie – het is een uiting van een grootmoedig hart, door niet toe te geven aan wat dat hart dreigt te verduisteren. Uit zulke schijnbaar kleine daden kan werkelijk iets gaan stromen en heel belangrijk zijn voor onze praktijk.

Een andere behulpzame aanwijzing op dit gebied is het fysieke aspect van open blijven. Lichaam en geest zijn niet twee, dus als we het gevoel hebben dat we ons willen afsluiten en gespannen worden zal dit lichamelijk tot uiting komen, zodat we in elkaar duiken en ons lichaam zich samentrekt. Als we onszelf toestaan met het gevoel te zijn, of we nu in meditatie zitten of bezig zijn in ons dagelijks leven, kunnen we het effect op onze houding gewaarworden. Dan kunnen we proberen om onze schouders te ontspannen, onze borstkas te openen en diep te ademen. Dit laat ons op een hele rechtstreekse manier de openheid zien die nodig is.

Zoals altijd is acceptatie een cruciaal aspect in dit alles. We vragen wat er nu in dit moment is en als dat het strakke, defensieve gevoel is, erkennen we het en laten we het met rust. We worden ons gewaar van de gedachten die verbonden zijn met dat gevoel, alle excuses en rechtvaardigingen die het in stand houden en we laten die gedachten komen en gaan, gewoon voorbijgaan, zodat ze het gevoel niet verder voeden. We kunnen met het gespannen, verkrampte gevoel zijn, we kunnen zitten met het ongemak dat het veroorzaakt. We hoeven er niet over te oordelen, idealen en veroordelingen kunnen we laten gaan. Er is alleen maar dit zoals het is. Dan kan het gevoel beginnen op te lossen en kunnen we zien dat het niet substantieel of beperkend is, maar dat het juist onecht en ongrijpbaar is. Dit gevoel hoeft ons niet te storen, het maakt niet uit of het blijft of weggaat, het is geen probleem meer. Op deze manier kunnen we ontdekken dat wat er ook is deel uitmaakt van dit nu en dat het goed is. Dit omvat werkelijk al onze zelfzuchtigheid en afweermiddelen.

Als we hebzucht, twijfel en angst niet langer voeden, als we ze accepteren en er gewoon laten zijn, zullen ze minder worden naarmate we verder gaan. We proberen niet van ze af te komen of te veranderen in iets anders. Op deze manier wordt onze natuurlijke goedgeefsheid blootgelegd en komt die tot uitdrukking. Naar gelang we onze zelfzuchtige gedachten laten gaan, merken we dat we niet meer zo vaak over anderen oordelen. Naarmate we leren accepteren wat in onszelf opkomt, kunnen we anderen ook steeds meer in hun waarde laten. Hoe meer we zien dat het proces werkt, hoe meer we er op gaan vertrouwen dat vrijgevigheid er is, zelfs op die momenten waar dat niet zonneklaar is. Maar natuurlijk moeten we wel uitkijken dat we ons niet vastklampen aan resultaten en onszelf feliciteren met onze goedgeefsheid (“ik ben beslist veel vrijgeviger dan vroeger”, “ja, ik was toen heel behulpzaam, goed gedaan, ik!”). Want dan is er nog steeds een zelf aanwezig, een ‘ik’ die vrijgevig is. Deze gedachten zijn geen probleem zolang we maar zien wat we doen, de gedachten herkennen, ze voorbij laten gaan en gewoon weer verder gaan.

Meditatie moedigt ons aan en geeft ons het vertrouwen om open te staan voor iets dat veel groter is dan onze eigen kleine besognes, zodat we voorbij onze angsten en verlangens en alles wat ons tegen lijkt te houden kunnen kijken. We kunnen ons verbonden voelen met een groter geheel, omdat als we vanuit het gezichtspunt handelen van een afgescheiden, solide zelf dat gekwetst kan worden, we dat zelf zullen proberen te verdedigen en beschermen waardoor het gevoel versterkt wordt dat we geïsoleerd en afgescheiden zijn van het grotere geheel. Als we volledig kunnen zijn met wat zich voordoet, in het hart van het zuivere voelen kunnen zitten, dan is er geen scheiding tussen mij en wat zich voordoet, dan is er alleen maar de ervaring van meditatie.

Hierdoor wordt het gevoel van ‘ik’ en ‘mij’ minder sterk, want als het gevoel van het huidige moment denkbeeldig is, hoe zit het dan met de ‘ik’ die er middenin lijkt te staan? De contouren van het zelf vervagen als we gedachten, meningen, herinneringen en manieren van reageren die het zelf opbouwen, kunnen laten wegvloeien in de meditatie. De barrières lossen op en er valt niets meer te verdedigen. In plaats daarvan opent zich een uitgestrekte weidsheid. Het is niet nodig een zelf daarvan los te maken; het is niet nodig om de ervaring op te breken in stukjes en op mij en mijn te richten; het is niet nodig om vast te blijven houden aan een onveranderlijk dualistisch standpunt. Door open te blijven en te blijven geven wat in een situatie nodig is, kunnen we dit alles ontdekken wanneer we ons niet laten leiden door het angstige, gespannen, krampachtige gevoel dat we eerder herkenden.

Dus door te onderzoeken wat er werkelijk aan de hand is wanneer we ons egoïstisch voelen, wanneer we het gevoel hebben dat we ons onbaatzuchtiger hadden kunnen opstellen, worden we dieper in de meditatie getrokken. Alhoewel goedgeefsheid niet iets is dat je moet fabriceren kan het wel ontwikkeld worden op de manier die ik heb beschreven. Als iets van ons gevraagd wordt hoeven we ons niet te laten leiden door onze voorspelbare, gewoonlijke, beschermende reactie om er voor weg te lopen. In plaats daarvan kunnen we vertrouwd raken met dat gevoel, kunnen we het strakke, beperkende gevoel voelen en ermee zijn, er niet op reageren maar open blijven en vragen wat goed is om te doen. Dit is de kern van onbaatzuchtig geven.

In onze praktijk, waar de inzichten die we in meditatie verkrijgen omgezet worden in praktisch handelen in het dagelijks leven, draait alles om het tot uitdrukking laten komen van vrijgevigheid – zo realiseren we ons inzicht. Omdat we door te mediteren anders tegen de dingen aan gaan kijken kunnen we de wereld op een nieuwe manier tegemoet treden. Het “ja” dat in ons zit hoeft niet langer door het filter van onze angsten, twijfels en oordelen te lopen. De vraag die we nu stellen is “wat kan er gedaan worden om te helpen?”, in plaats van “wat kan ik doen om te helpen?”. In het moment van onbaatzuchtig geven is er slechts roep en antwoord.

Laten we nu terugkeren naar het beeld van de andere oever. In plaats van dat ik mezelf op deze oever zie staan als niet die ruimhartige, aardige, zorgzame persoon die ik op die andere oever wil zijn, kan ik onderzoeken wat ik hier eigenlijk heb en zal dan op een andere manier tegen dit alles aankijken. Door zazen te beoefenen ga ik beseffen dat de hele kwestie van deze oever, de andere oever en de kloof ertussen niet belangrijk meer is als ik werkelijk in het hart van dit moment ben. Er is alleen dit nu en dit is genoeg. En dus gaan we gewoon verder, we doen wat goed lijkt om te doen en in het moment van onzelfzuchtig geven is er geen scheiding; is er geen zelf, geen ander, geen geven, en niet-twee komt tot uitdrukking. Ik zou graag zenmeester Dogen het laatste woord willen geven, ook nu uit de Shobogenzo Bodaisatta Shisho-ho:

“De geest is onmetelijk. Geschenken zijn onmetelijk. Bovendien transformeert in het geven de geest het geschenk en het geschenk transformeert de geest.”

Eerw. Leoma is monnik van het klooster Throssel Hole Buddhist Abbey