Lege handenEen artikel van eerw. meester Oswin, dharmaleraar van de Eugene Buddhist Priory, een tempel van de Orde in de staat Oregon in de Verenigde Staten van Amerika.

________________________________

Een van de meest nuttige geesteshoudingen die we in de boeddhistische training kunnen cultiveren is die van ‘lege handen’. Dit is de zienswijze van een open geest en hart, de bereidwilligheid om alles te doen wat nodig is, zonder gehecht te zijn aan persoonlijke voorkeuren of agenda’s. Als onze handen leeg zijn, kan ons hart vol zijn met het Ongeborene. Hoe meer we vasthouden of ons ergens aan vastklampen, hoe meer we lijden, en hoe minder we het ‘zuivere’ kunnen kennen.

Dit kwam een tijdje geleden in me op toen enkele sanghaleden lieten weten dat ze een ‘vaste baan’ wilden hebben in de tempel. Hoewel het voor de tempel nuttig kan zijn als iemand een vaste taak heeft, is het net zo waardevol om gewoon naar de tempel te komen en je hulp daar aan te bieden waar het nodig is.

Achalanatha

Acalanatha

Acalanatha

Het zou helpen als we alle verantwoordelijkheden van de tempel konden delegeren aan specifieke personen – dat is het ideaal. Echter, het werk in een kleine tempel als de onze valt vaak niet in vaste categorieën onder te verdelen – dat is de realiteit. De behoeften bestrijken een breed gebied en verschuiven voortdurend. De meeste zijn eenmalig of incidenteel, zoals schoonmaken, reparaties, naai- en verstelwerk, tuinonderhoud, algemeen onderhoud, typewerk, mailinglijsten, computers en hun onderhoud, koken, enz. Van onschatbare waarde is de betrouwbare hulp, want dan kan de hoofdmonnik vertrouwen en bouwen op iemand die regelmatig komt helpen en zijn of haar handen uit de mouwen steekt waar dat nodig is. Deze betrouwbaarheid is de training van Achalanatha, de vurige Bodhisattva die in onze meditatiehal links van het hoofdaltaar staat. Hij of zij is standvastig en bereidwillig, toegewijd en flexibel.

Doel van de boeddhistische training is het reinigen van karma, dat is het zuiveren van onze oude gewoonten die lijden veroorzaken, zoals meningen, ideeën, oordelen, weerstand, voorkeuren, afkeren, zorgen, angsten, hechtingen, idealen, enz. enz. Als we met lege handen komen, erop vertrouwen dat het goed is wat ons gevraagd wordt en gewoon doen wat nodig is, biedt de tempel ons een prachtige gelegenheid om dit ‘reinigingsproces’ in de praktijk te brengen. Onze Orde betracht grote zorgvuldigheid in het oprichten van de tempels, zodat het veilige toevluchtsoorden zijn, zowel op fysiek als spiritueel gebied. We doen er alles aan om het spirituele doel van de tempel voorop te stellen, zodat het een plek is waar we naar toe kunnen gaan om te mediteren en dit reinigingsproces in de praktijk kunnen brengen, en waar het veilig is om de zekerheden over jezelf los te laten.

We hebben allemaal agenda’s en ideeën – dat is onze karmische conditionering. De tempels in onze Orde worden allen geleid door een senior monnik, die ruime ervaring heeft in de beoefening van meditatie en de leefregels en gecertificeerd is door zijn of haar meester. Deze hoofdmonnik of abt kan leiding en onderricht geven vanuit het hart van het Ongeborene. Dit ‘zuivere’ is een zelfloosheid dat alle wezens ten goede komt. Dit betekent niet dat de leraar al perfect en onfeilbaar is. Ik ken er geen één die dat is en ik dicht zeker mezelf dergelijke kwaliteiten niet toe. We kunnen van anderen en van alles leren mits we bereid zijn ervoor open te staan. Dit is vertrouwen. Hoe kunnen we ooit onze leraar en de leer vertrouwen als we niet onze uiterste best doen om verzoeken in te willigen? En, we leren allen tezamen, leraar en leerling gelijk, niemands training is ooit klaar.

Loslaten

Als we loslaten hoe we tegen een taak aankijken, laten we onze oordelen vallen van ‘winst en verlies’ (‘succes en mislukking’), twee van de ‘acht wereldse winden’¹ die onvermijdelijk lijden onze kant op blazen. We laten ook het identificeren met wie we zijn los, het idee van ons zelf. Het zelf is niet kwaad of slecht, het vergist zich alleen maar en is daarom beperkend. Het egocentrische zelf is een constructie van de hersenen, handig voor communicatie en als referentiepunt in het dagelijks leven, maar het is niet een concrete, onveranderlijke identiteit. Door meditatie kunnen we onze greep op dit gefabriceerde idee losser maken. In feite is het principe van ‘loslaten’ de essentie van stille belichting meditatie. We ‘laten los’ in de formele meditatie en we nemen dit principe mee in al onze dagelijkse handelingen. We doen gewoon wat op ons pad komt en nodig is, terwijl tegelijkertijd deze handeling in harmonie is met dit diepere ‘zuivere’. Dit zuivere is de leegte van prajna, ‘de diepste wijsheid van het hart’ uit De Soetra van Grote Wijsheid.

Om los te kunnen laten moeten we vertrouwen ontwikkelen, vooral vertrouwen in onze eigen Boeddhanatuur. De Boeddha onderwees: “Er is een ongeborene, niet-stervende, niet-geschapene, onveranderlijke”. Er is ‘iets’ dat niet een ‘iets’ is, waar we onszelf aan kunnen toevertrouwen. Dat is de betekenis van toevlucht nemen. In zengeschriften wordt het blijk van vertrouwen – door volledig los te laten en in het onbekende te stappen – vaak vergeleken met het van een honderd meter hoge paal afstappen. Om überhaupt te beginnen met het beklimmen van de paal is voor velen van ons al een uitdaging. Als we nooit beginnen en nooit klimmen, zullen we nooit aan de top komen om te kunnen springen. Dit ‘springen’ heeft dezelfde strekking als de uitdrukking ‘je lichaam en geest loslaten’ van zenmeester Dogen. Als we toevlucht hebben genomen tot de Drie Juwelen, kunnen we er dan op vertrouwen, d.w.z. vertrouwen we de Boeddha’s woorden, dat dit werkt en veilig is? Kunnen we beginnen los te laten? Dit proces noodt ons ook tot bescheidenheid, tot het besef dat anderen ook de Boeddhanatuur hebben en wellicht meer ervaring en kennis hebben dan wij. We kunnen vertrouwen op het zachte duwtje van de Sangha-toevlucht om de volgende stap te zetten.

Bereidwilligheid

Ook van het grootste belang om onze gehechtheid aan ‘werk’ te ondermijnen, als ware het een essentieel deel van wie we zijn en een maatstaf van onze waarde, is de simpele bereidwilligheid om te proberen zo goed mogelijk een bepaalde taak uit te voeren. De Amerikaanse cultuur is doordrongen van de protestantse werkethiek – ‘onze deugdzaamheid en waarde zijn afhankelijk van ons werk’. Dit geloof of standpunt is verraderlijk en volkomen in tegenspraak met de leer van Boeddha. Om te beginnen zijn we volmaakt en volkomen goed. Onze dankbaarheid voor het feit dat we de kans krijgen om te trainen (ons karma te zuiveren) en om in harmonie te komen met het Ongeborene, komt tot uitdrukking in ons ‘werk’.

Werkmeditatie, ook wel ‘meditatie van minuut tot minuut’ genoemd, richt onze aandacht op het uitvoeren van een taak. In seculiere literatuur wordt dit vaak ‘procesoriëntatie’ genoemd. We richten onze aandacht op de taak zelf, in plaats van dat we vooruit kijken naar het resultaat en het daaraan gekoppelde gevoel van waarde en/of complimentjes van anderen. Dit is het ‘doelloze doel’ waar Dogen over spreekt in zijn ‘Aanwijzingen bij het Mediteren’. Het is het ‘bestaan, tijd, stromen’ uit ‘Uji’, het hoofdstuk uit Dogen’s Shobogenzo, waar hij ‘verlichting’, het Ongeborene, tracht uit te drukken als een stromen, een activiteit.

Stromen

Dit ‘stromen’ is echter niet het ‘gewoon meegaan met de stroom’, een houding die zo vaak omarmd wordt in situaties waar mensen geen verantwoordelijkheid nemen voor hun daden. Werkmeditatie in een tempel kan een uitdaging zijn, vooral als de hoofdmonnik ons vraagt een taak uit te voeren op een manier die afwijkt van wat wij aanvoelen als ‘goed’ of ‘met de stroom’. Dit verzoek kan zowel op lichamelijk, geestelijk als spiritueel gebied soms meer van ons vragen dan we gewend zijn. Gelukkig kunnen we in een tempel als de onze er zeker van zijn dat geen enkele leraar ons zal vragen de leefregels te breken. (Eén van de functies van de overkoepelende Orde, waar al onze monniken en tempels toe behoren, is om deze ethische veiligheid te garanderen).

Gehechtheid staat dit stromen in de weg en veroorzaakt lijden. Ermee in harmonie komen veroorzaakt vrede en vreugde. Het kan vooral nuttig zijn om de lange-termijn visie te cultiveren. De keuze is aan ons, van moment tot moment. Onze training, de beoefening van de Boeddha-dharma, heeft te maken met keuzes maken en dan ‘doen’. Boeddhistische waarheid is gebaseerd op ervaring: we verwezenlijken Het door Het te doen. Dit is het toepassen van de wil, een opzettelijke handeling, de geestelijke activiteit die karma creëert. Zoals eerw. meester Jiyu vaak aangaf, is het meer bereidwilligheid dan wilskracht, als we uit eigen vrije wil gehoor geven aan de Boeddhanatuur, het Hart van Zijn. En dit brengt ons terug bij Achalanatha. Vergis je niet, deze bereidwilligheid is sterk. Hij is ‘onverzettelijk’, wat de betekenis is van de naam ‘Achalanatha’. Soms zie ik deze woeste en vurige Bodhisattva als niet te stuiten, omdat zijn onverzettelijkheid niet een harde en starre houding is. Het is eerder een buigzame, doch onwankelbare toewijding aan een stromende, vloeiende training.

Twee voorbeelden

Ik zal met twee voorbeelden afsluiten, waarin collega-monniken dit idee van ‘lege handen, zuiver hart’ voor mij belichaamden. Eén was een net aangestelde senior monnik (leraar) die gevraagd was om de hoofdmonnik van de Berkeley tempel te vervangen die ziek was geworden en moest terugtreden. Deze eerwaarde zat juist midden in een enorm kunstproject, dat onze meester hem gevraagd had voor zijn rekening te nemen. Maar toen hem verzocht werd deze andere verantwoordelijkheid op zich te nemen, zei hij eenvoudig, zonder enige aarzeling, “Natuurlijk. Geef me even een paar dagen om m’n spullen bij elkaar te krijgen”. Geen gemaar, misschien of “is er niemand anders die kan gaan?”

Het andere voorbeeld speelde in Shasta Abbey na eerw. meester Jiyu’s overlijden tijdens één van de eerste dharmaceremoniën, verricht door de abt van het klooster. Eerw. meester Eko was de nieuwe ‘Boeddha’ en gezeten op het altaar stelde iedere monnik hem een vraag over de Dharma. De meeste van ons waren helemaal in beslag genomen door een gevoel van onmacht en verdriet en vroegen ons af hoe we verder moesten zonder onze meester. Maar een van de meer senior monniken liep naar voren en zei eenvoudig: “Hoe kan ik helpen?” Wat een verfrissende les! Geen persoonlijke wensen, noden of zorgen, tenminste niet hardop geuit, maar gewoon: “Hoe kan ik Dat wat ongeboren is van dienst zijn? Hoe kan ik u helpen?” Ik weet niet of het een opzettelijke verwijzing was, maar het deed me denken aan een Bijbels verhaal uit het Oude Testament, hoofdstuk Jesaja, één van de belangrijke Hebreeuwse profeten. Jehova (God) probeerde iemand te vinden om zijn boodschap naar de kinderen van Israël – de nieuwe natie – te brengen. Iedereen die hij aansprak had het of te druk of had het idee dat hij het niet aankon. Uiteindelijk besloot een jongeman, die naar uiterlijke maatstaven volledig ongekwalificeerd was en dus bespot werd door zijn vrienden, te reageren op de oproep. Hij ging naar Jehova en zei: “Hier ben ik Heer. Stuur mij.” God had Zijn man gevonden.

Dit soort antwoorden houden een ‘onvoorwaardelijke acceptatie’ in, een uitspraak die ik recentelijk van een collega-monnik had gehoord. Deze gemoedsgesteldheid is de ‘zelfloze activiteit’ waar Dogen over spreekt in de ‘Shushogi (Wat waarlijk bedoeld is met Oefening en Verlichting)’. Door middel van zulke activiteit geven we uitdrukking aan onze dankbaarheid. We stellen geen voorwaarden aan ons antwoord als we de roep van het Ongeborene horen, de ‘stille, kleine stem’ van de Boeddhanatuur. We beoordelen niet of een taak te klein, te groot, te onbelangrijk of te moeilijk is. We zeggen gewoon “ja”². Deze houding van geest en hart is het alles-aanvaardende dat de poortloze poort ontsluit. Deze ‘poort’ is de deur naar de tuin van Dat wat ongeboren is, met haar grootse en overvloedige mededogen. In wezen is er geen poort, laat staan een slot. De ingang is wijd open en helemaal vrij. En het is onze training, onze onvoorwaardelijke aanvaarding van deze onvoorwaardelijke liefde die ons hart opent voor de compassie en wijsheid van de Boeddha: “Lege handen, zuiver hart”.

Noten:
1) De acht ‘wereldse winden’, soms ook de acht wereldse condities of afleidingen genoemd, zijn: succes en mislukking, roem en schande, lof en hoon, geluk en verdriet.
²) Misschien moeten we ook vragen: “Hoe?” zoals een voormalige novicemeester van mij eens adviseerde en zoals eerw. meester Jiyu in haar boek ‘The Wild, White Goose’ beschreef, toen de hoofdmonnik haar vroeg om via een steile ladder thee te brengen naar werklui op het dak. Waar het om gaat is onze geesteshouding, de bereidwilligheid.

Oorspronkelijke titel: Empty Hands, Pure Heart
Vertaling: Nanette Idzerda
Gepubliceerd in: The Journal of the Order of Buddhist Contemplatives, 2005, Nummer 3