rode-draadEen koan is een spirituele vraag waar een paradox in zit. En die vraag kan niet beantwoord worden met het rationele denken, door een denken in begrippen en in concepten. Er is een traditie in het boeddhisme dat Rinzai-Zen genoemd wordt en die verschilt van onze traditie, de Soto-Zen traditie, in het feit dat Rinzai-Zen gebruikt maakt van koans; het wordt soms ook koan-Zen genoemd.

Er zijn door de eeuwen heen vele koans geformuleerd, zoals bijvoorbeeld: “Wat is het geluid van één klappende hand?” of “Wat is je oorspronkelijk gezicht voordat je ouders elkaar ontmoetten?” De bedoeling van het werken met een koan is om de aandacht volledig bij de vraag te leggen, je er dusdanig op te concentreren dat het vanbinnen heel stil wordt en het antwoord kan voortkomen vanuit de intuïtieve wijsheid. Het antwoord is geen rationeel, maar veel meer een gevoelsmatig antwoord, een diep intuïtief weten. Zenmeester Dōgen heeft het in zijn geschriften, die tezamen de ‘Shobogenzo’ worden genoemd, over de koan van het dagelijks leven, in het Japans de ‘Genjokoan’. In een ander geschrift van deze zenmeester, de ‘Aanwijzingen bij het mediteren’, die we tijdens de middagceremonie reciteren, zegt hij: “… de koan doet zich vanzelf voor in het dagelijks leven”. Ofwel we zien in ons dagelijks leven wat onze koan is.

De rode draad

En wat is onze koan? Onze koan is als het ware de rode draad die door ons leven loopt. De rode draad is het thema van ons leven, ons persoonlijk leven, want het thema verschilt voor ieder van ons. Voor de één kan het een gevoel van ontoereikendheid of minderwaardigheid zijn. Voor de ander kan het de aanwezigheid zijn van agressie, van woede en van kwaadheid. Weer voor de ander kan het verdriet zijn, of een gevoel van gebrek aan liefde. Soms is het een angst, zoals angst voor de wereld. Dat thema, de koan, ontvouwt zich vooral in onze tienerjaren. Of beter gezegd, we worden er ons dan van bewust. We beginnen dan de invloed van de koan op ons leven echt te merken. Ons verdere leven ontvouwt zich dan rondom dat thema. Als het een gevoel van minderwaardigheid is, zal de wereld anders ervaren worden dan voor diegene die een andere koan heeft. Waarschijnlijk lijkt de wereld dan wat bedreigend en heeft de persoon angst om in het licht te treden of om met anderen om te gaan, om anderen aan te spreken, of door anderen beoordeeld te worden. Voor degene die een andere koan heeft, bijvoorbeeld agressie, lijkt de wereld weer anders. Misschien een wereld die als vijandig ervaren wordt en die bedwongen of beheerst moet worden. Ons leven ontvouwt zich van moment tot moment en door al die momenten loopt die rode draad. Want we zullen steeds diezelfde koan tegenkomen. Misschien heb ik nu een baan waarin ik me niet veilig voel, waarin de baas erg dominerend lijkt te zijn en waarin teveel van me gevraagd wordt. Maar geef ik die baan op en ga ik naar een andere baan, dan lijk ik hetzelfde vaak weer tegen te komen.

De horizon proberen te bereiken

Naarmate we volwassen worden komt in ons het verlangen naar boven om bevrijding van de koan te vinden. Voor mezelf was dat een verlangen naar verlossing van angst dus ging ik dingen doen die een uitdaging inhielden. Ik ging dingen doen die spannend waren omdat ik dacht dat, als ik dat eenmaal gedaan had, de angst zou zijn overwonnen. Ik heb letterlijk aan de andere kant van de wereld gestaan om daar te ontdekken dat ik mijn angst gewoon had meegenomen en niet in het verre Nederland had achtergelaten! Ik ontdekte dat wanneer je zo met de koan omgaat, je eigenlijk probeert een horizon te bereiken. Je loopt en loopt en de horizon schijnt altijd ver weg te zijn. De horizon verlegt zich naarmate je loopt. En zo is het ook met onze koan, met al die dingen waarvan we bevrijding verlangen, en al die dingen waar we juist naar verlangen omdat we hopen (stilletjes) dat het ons de koan zal doen vergeten. Misschien is dat liefde van iemand, of voldoening uit het werk, geld en roem of wat dan ook. Maar het blijft lopen naar een horizon.

We kunnen ook anders reageren en besluiten niet te lopen. Maar ook dat schijnt de koan niet op te lossen. Lopen naar de horizon doet ons de horizon niet bereiken maar niet lopen doet ons de horizon zeker niet bereiken. Wat te doen? Hoe werkelijk ons ware zelf te ontdekken waar er geen tekort en geen overmaat is, als het ware de horizon in onszelf. Zolang we de horizon als een referentiepunt nemen is waarlijk geluk en tevredenheid, bevrijding van lijden, onmogelijk omdat de horizon in zekere zin ons ideaalbeeld definieert. “Als ik dit eenmaal bereik of heb, dan zal ik, of mijn leven, zo en zo zijn (en in ieder geval beter!)” “Als ik dit niet meer heb – als ik vrij ben van mijn angst – dan zal ik pas echt gelukkig zijn!” We maken ons innerlijk geluk afhankelijk van een ideaalbeeld, een horizon die nooit bereikt wordt want de horizon is altijd een horizon in relatie tot waar we zijn. Er is altijd een afstand te overbruggen tussen waar we staan, in het hier en nu, en de horizon waar we naar verlangen – ergens in de toekomst. Zenmeester Dogen beschrijft dit in de Genjokoan* als zitten in een bootje dat drijft op een stromende rivier. Vanuit het bootje lijkt de oever te bewegen. Maar vanaf de oever gezien beweegt het bootje. Waar we ook staan, we zien óf de rivier bewegen óf de oever. Er schijnt geen bestendigheid te zijn, alles lijkt vanuit onze positie voorbij te stromen. Hoe kunnen we in die veranderlijkheid en vergankelijkheid van de wereld om ons heen ons diepste verlangen realiseren en onze koan tot een oplossing brengen? Eerw. meester Jiyu-Kennett benadrukte vaak dat we hiervoor de derde positie moeten innemen. Niet in het bootje en niet aan de oever. Dat is niet lopen naar de horizon, maar ook niet het niet-lopen naar de horizon. Het is onze fixatie op de horizon loslaten om te kijken naar waar we staan, hier en nu, in dit moment. Dit vraagt dat we elk referentiepunt loslaten en gaan kijken vanuit een nieuw perspectief, dat niet geconditioneerd wordt door het vasthouden aan een ideaalbeeld. Hierdoor gaan we beseffen dat het leven stroomt van moment naar moment en dat we in dat stromende leven de koan ervaren, die altijd aanwezig lijkt te zijn net zoals een rivier altijd stroomt en er altijd een oever is die stil staat.

Wat staat in de weg?

In dit alles verschijnt het verlangen om bevrijding te vinden van onze angst, ons verdriet, onze zorgen, m.a.w. dat wat in de weg lijkt te staan van diepe innerlijke vrede en geluk. Maar kijk goed naar dit verlangen. Staat de koan werkelijk in de weg? Of is het juist het verlangen naar bevrijding zelf dat ons berooft van vrede en geluk? Hiervoor moeten we kijken, werkelijk waarnemen. En dat is wat meditatie is, werkelijk waarnemen van hoe het moment zich voor ieder van ons ontvouwt, de rivier en de oever van elk moment. Dit waarlijk waarnemen kan alleen maar plaatsvinden wanneer we bereid zijn om in het hart te zitten van de koan, of het nu onze angst is, of de haat of teleurstelling, stil te zijn en elk ideaalbeeld, elk verlangen los te laten. In zekere zin laten we, net zoals bij de vraag “Wat is het geluid van één klappende hand”, het zoeken naar een rationeel antwoord los en zitten we in de vraag zelf. In dat bereidwillig zijn om te ‘zitten’ en waar te nemen in elk moment van het leven, verdwijnt de horizon als iets waaraan we ons afmeten, waarmee we ons vergelijken. “Ik ben hier en dat is daar.” “Ik ben niet goed genoeg en als ik de afstand maar overbrug dan zal ik het vinden.” “Als mijn meditatie maar goed is, dan zal ik het antwoord vinden.” Wanneer we dat allemaal loslaten en gewaar zijn in het moment, ook al is hoe we dat moment ervaren geconditioneerd door bijvoorbeeld de angst of frustratie en teleurstelling, dan zullen we ontdekken dat wijzelf de horizon zijn, waar we ook staan in dit leven. Dit inzicht brengt langzaam maar zeker een openheid en alles-accepterend vermogen in ons naar boven. De wereld, onze koan en wijzelf zijn één, net zoals de oever bij de rivier hoort. Wanneer we onszelf kunnen accepteren voor wat we zijn en we naar de wereld en ons eigen leven kunnen kijken zonder dat het gekleurd wordt door het verlangen om anders te zijn dat wat we zijn, dan zijn we in staat om op een constructieve en harmonieuze wijze, dat gebaseerd is op onze intuïtieve wijsheid, met ieder moment van het leven om te gaan en kan ons bestaan daardoor een gift aan de wereld worden. Als we onszelf blijven veroordelen, hoe subtiel ook, doen we onszelf tekort en kunnen we niet echt geven.

Noten:
*) Genjokoan: hoofdstuk uit de Shobogenzo, geschreven door de twaalfde eeuwse Japanse zenmeester Dogen.