Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 4


Als we niet onze gedachten en gevoelens zijn,
wat zijn we dan wel? Ik vind dit een cruciale vraag,
die ten grondslag ligt aan de betekenis van zazen.

Ik heb ervaren dat een van de eerste dingen die je leert als je in een klooster leeft, is dat je duidelijk het verschil moet zien tussen je gevoelens en de situatie waarin die gevoelens opkomen. Het komt vaak voor dat nieuwe monniken moeite hebben om met elkaar op te schieten. Dit is niet zo verrassend, omdat het monastieke leven heel intens kan zijn, met name omdat je geen eigen ruimte hebt en er heel weinig mogelijkheden zijn om onder de voortdurende druk uit te komen. De nieuwe monnik moet midden in haar of zijn gevoelens blijven zitten, in plaats van voor ze weg te lopen. Als er boosheid naar bovenkomt, wordt de monnik geleerd om niet de ander de schuld te geven, maar om openhartig naar zijn of haar eigen gevoelens te kijken. Het kan erg onrechtvaardig lijken als dat van je gevraagd wordt, vooral als die andere persoon duidelijk iets doet wat hij of zij niet zou moeten doen. Zelfs dan is het je primaire taak om de verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen boosheid en je niet te bemoeien met wat anderen doen. Dit principe geldt voor wat voor vorm je leven ook aanneemt.

Als je de twee componenten kunt scheiden ‒ het probleem dat zich voordoet en je gevoelens daarbij ‒ weet je waar je prioriteiten liggen. De monnik heeft gekozen voor de training en dat gaat vóór alles, ondanks de natuurlijke neiging om in wrok te blijven steken en de ander de schuld te geven. Het probleem waar het om gaat is altijd ondergeschikt aan het aanpakken van de kwellende geestelijke toestand. Juist als we ons persoonlijk belaagd of aangevallen voelen, is daar het moment ‒ echt het enige moment ‒ dat we boosheid kunnen omkeren. Dan kan wat als een onbeduidende ruzie begon waarlijk een ommekeer in ons leven teweeg brengen. Dit is ‘buigen’ voor de situatie. Buigen is het tegenovergestelde van klagen over hoe moeilijk het is. Zulke oprechtheid laat een trainee zien wat goed is om te doen, omdat zijn of haar geest niet langer wordt gekweld door boosheid.

Als we in zazen zitten, moeten we onze gedachten en gevoelens op dezelfde manier op de tweede plaats zetten. Want als we ons primair daarmee bezighouden, zullen we eindeloos in cirkels ronddraaien. Een vraag die we moeten stellen is: “Zijn wij onze gedachten en gevoelens?” Het is duidelijk dat zij een belangrijk element zijn van hoe wij ons leven ervaren, maar het is een vergissing om ons ermee te identificeren. Doen we dat wel, dan hebben we geen enkele stabiliteit en worden we bij het minste of geringste uit ons evenwicht gebracht. Want als ik me niet op mijn gemak voel, dan ben ‘ik’ niet op m’n gemak. Dat hoeft echter niet zo te zijn; je kunt je heel goed bewust zijn van onplezierige gevoelens en desondanks blijven zitten in de onbewogen, zuivere geest van zazen.

Als we niet onze gedachten en niet onze gevoelens zijn, wat zijn we dan wel? Ik vind dit een cruciale vraag die ten grondslag ligt aan de betekenis van zazen. Als ik moeite heb om mezelf over te geven aan het zitten, helpt het mij om te vragen: “Wie is het die zit?” Om die vraag deel van je zazen te maken ‒ en niet zo maar een techniek of maniertje ‒ is het van vitaal belang om geen enkele poging te doen de vraag te beantwoorden, maar om alleen te kijken waar de vraag naar wijst. Het is alsof ik je zou vragen: “Wat is dat achter je?” De enige echte manier om dat te weten te komen, is je om te draaien en zelf te kijken. De vraag dient alleen om je aandacht te vestigen op wat belangrijk is. Woorden, theorieën of methoden zijn niet nodig, draai alleen je hoofd om. In zazen gaat het net zo: “Wie is dit?” Als je in je hart kijkt, worden alle gedachten en gevoelens minder belangrijke zaken waar je je niet om hoeft te bekommeren.

Ik ervaar dit vooral als een kwestie van niet doen in plaats van doen. In antwoord op de vraag “Wie?” is er niets om vast te pakken. Elke schijnbare laag van ‘mij’ blijkt weer een gedachte of een gevoel te zijn dat voorbij gaat. Het lijkt wel of ik van vluchtige gedachten en gevoelens aan elkaar hang; sommige blijven een tijdje, andere gaan heel snel voorbij. Dat gedachten en gevoelens opkomen is geen probleem zolang ik er maar niet mijn wil aan toevoeg. Ik merk hoe ik het kijken onderbreek met onnodige bewegingen van de geest. Heel mijn wil moet volkomen in beslag genomen zijn door het kijken/zijn. Ik kan niet losstaan van wat wordt gezien en het benoemen; ik kan het alleen maar zijn. Ik kan de persoon zijn die zit en zittend is die persoon Boeddha. Dit houdt in dat ik lichaam en geest laat vallen en dat betekent alle ideeën over mijzelf en de wereld loslaten en alleen maar zitten. Wat overblijft is zazen dat zazen doet.

Zazen of verlichting gaat niet over het bereiken van een bepaalde geestestoestand, want alle toestanden van de geest zijn van een voorbijgaande aard waar je niet op kunt bouwen. Als je weet wie zit, dan ken jij zittend Boeddha. Dit is een beetje een vreemde uitdrukking; waarom niet zeggen: zitten als een Boeddha? Ik zeg liever ‘zittend Boeddha’ omdat er niemand is die zit als een Boeddha; het is gewoon Boeddha die zit. Die Boeddha houdt nooit op met zitten, maar wij zijn degenen die ons van haar aanwezigheid bewust moeten worden, wat niet betekent dat de Boeddha mannelijk of vrouwelijk is.

Oorspronkelijke Verlichting

‘Zittend Boeddha’ is een andere manier van spreken over de Boeddhanatuur of de aard van verlichting. Meestal vatten we het boeddhistisch leven op als een pad dat loopt van onwetendheid naar verlichting, wat blijkt uit het feit dat het ook wel aangeduid wordt als de Weg. In de Zentraditie heerst een andere opvatting, die gebaseerd is op het inzicht dat de Boeddhanatuur niet onderhevig is aan komen en gaan, niet geboren wordt en niet sterft. Daarom is de Boeddhanatuur niet iets dat we door training kunnen verwerven. Het spirituele leven in zen is het verwezenlijken van de Boeddhanatuur in dit huidige moment. Omdat alle wezens vanaf het allereerste begin verlicht zijn, wordt dit inzicht in de Boeddhanatuur ‘oorspronkelijke verlichting’ genoemd. Het ontbreekt ons aan niets, wij kunnen niet afgescheiden zijn van de waarheid, maar je dit realiseren is niet zo simpel. We moeten ons bewust worden van onze oorspronkelijke natuur, onze verlichte natuur.

Heel praktisch betekent dit dat wij in de loop van onze training moeten kijken naar wat we hebben, in plaats van ons te richten op wat we denken te missen of moeten begrijpen. Ik heb vele jaren getraind in het geloof dat mijn doel de eenwording met de Boeddhanatuur was. Zodoende zag ik mijzelf als iemand die iets miste. Ik probeerde altijd mezelf voorbij te kijken, hopend en biddend dat wat ik dacht nodig te hebben aan de horizon zou verschijnen. Als ik vooruit probeerde te komen om erbij te komen, duwde ik het voor me uit. Uiteindelijk zag ik in dat die manier van training was gebaseerd op onvolkomenheid. Je hebt veel vertrouwen nodig om zazen te beoefenen. Maar het vertrouwen waar ik het over heb, is vertrouwen in je eigen ware natuur en niet een vertrouwen in iets buiten jezelf. Het is het geloof dat er in de kern van je wezen dát is, wat volledig is ‒ de bron van mededogen en wijsheid. Als je je eigen wezen kunt vertrouwen, dan realiseer je al je ware natuur. Het is onzinnig om het te wantrouwen en om verstrikt te raken in misleidende gedachten, gevoelens en emoties, want de onverwoestbare, degene die dit allemaal ervaart, wie is dit?

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.

Vervolg hoofdstuk 5: Een leven van training