Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 8


Het realiseren van de Boeddhanatuur is weten dat er niets ontbreekt en in die volkomenheid is groot mededogen voor alle levende wezen.

Zen leert ons dat alle wezens de Boeddhanatuur zijn. Boeddhanatuur is de spontane staat van hoe de dingen werkelijk zijn, de ware natuur van de werkelijkheid. Het wordt Boeddhanatuur genoemd omdat het de essentie van Boeddha’s verlichting is. Niemand bezit Boeddhanatuur. Omdat er niets daarbuiten is om te bezitten, is haar aard ongedeeld en omvat zij alles. Het realiseren van de Boeddhanatuur is weten dat er niets ontbreekt en in die volkomenheid is groot mededogen voor alle levende wezens. Dit grote mededogen is niet alleen maar een gevoel. Het is een essentieel aspect van de Boeddhanatuur; het is een onderdeel van hoe de dingen zijn en fundamenteel voor het bestaan. Wanneer we onze ware natuur realiseren, verwezenlijken wij mededogen en dat mededogen manifesteert zich als de wens om alle levende wezens te helpen. Als we ons bewust worden van deze wens, beseffen we wat het ware doel van het leven is en dan worden de praktische vragen van hoe we moeten leven niet meer gesteld vanuit het gezichtspunt van ‘Wat wil ik?’, maar vanuit het perspectief van ‘Wat is het dat goed is om te doen?’. ‘Goed’ is wat wezens helpt; het is iets waar we intuïtief weet van hebben als wij onszelf aan de Boeddhanatuur toevertrouwen. Ieder persoon moet ontdekken hoe hij of zij blijk geeft van mededogen in zijn of haar leven. De principes zijn voor iedereen dezelfde, maar de specifieke kenmerken zullen afhangen van ieders omstandigheden en kunnen. Tenzij we bereid zijn om onze zelfzuchtige verlangens los te laten, kunnen we niet vooruitgaan. Het is belangrijk dat we vertrouwen en geloof hebben in de zuiverheid van ons essentiële wezen, aangezien we onszelf zullen moeten vertrouwen om zowel diepgaand te mediteren als om het goede te onderscheiden.

Hoewel onze ware natuur zuiver is, kunnen we helemaal in beslag genomen worden door de drie vergiften – hebzucht, boosheid en misleiding. Als we eenmaal de drie vergiften werkelijk zien zoals ze zijn, dan zijn we gemotiveerd ons ervan te bevrijden. Soms zijn we halfhartig in onze pogingen om onze geest te zuiveren, omdat we onszelf niet laten zien wat we aan het doen zijn. Om een voorbeeld te geven: als we werkelijk boosheid of haat zien in onszelf in al zo’n naaktheid, zonder het te verontschuldigen en zonder het te omzeilen door zelfveroordeling, dan weten we dat we dat nooit meer willen laten ontstaan. Zo’n eerste bewustwording verandert ons gedrag, maar we kunnen nog steeds soms kwaad worden, ondanks onze beste bedoelingen. Er is een eind aan onwetendheid, maar het vraagt eindeloze oefening om dat te verwezenlijken. De mensen die werkelijk zazen beoefenen zien zichzelf niet als verlicht, noch zien zij zichzelf als niet verlicht; zij doen rustig wat gedaan moet worden en verwachten geen beloning. Zulke mensen staan midden in de verlichting. Om op deze plek te komen, moeten we een diepe verbondenheid met de training hebben. Die toewijding aan de training ligt besloten in de zuivere geest van zazen en daar moet ook in de wereld naar gehandeld worden; ons inzicht hierin zal weerspiegelt worden in ons handelen.

Het woord moraliteit wekt soms afkeer bij mensen op, omdat het beelden oproept van het moeten volgen van een onbuigzame serie willekeurige of zinloze regels die opgelegd worden door een hypocriete autoriteit. Moraliteit gaat niet over het veroordelen van anderen; het heeft niets met onverdraagzaamheid of fanatisme te maken en het is ook niet verzonnen door de regerende elite om ons in toom te houden. Moraliteit gaat niet over autoriteit; noch over een goddelijke autoriteit die dreigt met straffen, noch over een menselijke autoriteit die zich gerechtigd voelt om te bepalen wat anderen moeten doen. Moraliteit komt voort uit onze natuurlijke wens om goed te doen. Ons gevoel van wat goed is kan tamelijk kleinschalig zijn en zich beperken tot onszelf en tot mensen die dicht bij ons staan, of het kan een meer universeel karakter hebben. Maar we geloven allemaal dat er bewonderenswaardige deugden zijn en dat er gedragingen zijn die verkeerd zijn. Velen hanteren de ‘Gouden Regel’: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet. Moraliteit is gebaseerd op sympathie, de erkenning dat anderen ook geluk en pijn voelen, net als wij. Onze behoeften en verlangens zullen botsen met die van anderen zolang wij zelfzuchtig handelen, d.w.z. geloven dat wij los staan van de rest. Zo’n geloof veroorzaakt gescheidenheid van onze ware natuur en ontneemt ons iedere kans op vrede in ons hart.

Het boeddhisme geeft ons in de vorm van de leefregels de middelen om voor onszelf duidelijk te krijgen wat goed is en wat niet. Als we handelen in overeenstemming met onze ware natuur, dan houden we ons aan de leefregels. De formulering van deze regels werkt als een beproefd middel om ons te helpen te onderscheiden wat goed is. Ook zijn ze een beschrijving van de ware natuur in actie. Ze kunnen gebruikt worden als een controlelijst wanneer je overweegt wat goed is. De leefregels zijn echter veel meer dan dat – zij zijn één met Boeddhaschap zelf. Zijn en handelen zijn niet gescheiden – wat we doen en wat we zijn kan niet gescheiden worden. Een Boeddha wordt niet beperkt door de leefregels, omdat de leefregels en zijn of haar ware natuur precies hetzelfde zijn. De leefregels worden beschouwd als de grote bevrijders omdat zij de weg wijzen en ons helpen om lijden te vermijden.

Als we niet goed handelen, ervaren we schaamte. Als we de schaamte erkennen, kunnen we ons leven beteren. Het motief om onze verkeerde daden recht te zetten, ontstaat als we zien hoe zij ons scheiden van het meest waardevolle en waarachtige. Als we merken dat we iets doen dat niet goed is, moeten we meteen van koers veranderen. Het is niet nodig om ons schuldig te voelen of onszelf te veroordelen, wat natuurlijk makkelijker is gezegd dan gedaan. We kunnen helemaal in de verdediging schieten en misschien wel willens en wetens proberen een fout te rechtvaardigen, om maar niet te voelen dat we het bij het verkeerde eind hadden. Een van de eerste dingen die je over zazen leert, is dat je bereid moet zijn om je een dwaas te voelen. Als we bereid zijn een vergissing te erkennen en alle gevoelens die dat met zich meebrengt te accepteren, dan zijn we al wijs.

Er zijn zestien leefregels in de Sōtō-Zentraditie van Dōgen:

De Drie Toevluchten

Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha;
Ik neem mijn toevlucht tot de Dharma;
Ik neem mijn toevlucht tot de Sangha.

De Drie Zuivere Leefregels

Doe geen kwaad;
Doe alleen goed;
Doe goed voor anderen.

De Tien Leefregels

Deze worden geformuleerd als: ‘Neem geen…., koester geen…., wees niet…., enzovoorts. Het gebruik van deze formulering verwijst niet naar een autoriteit, goddelijk of anderszins, die ons deze Leefregels oplegt. De stem die zegt ‘doe niet’ is onze eigen stem; de gebiedende wijs komt voort uit het kennen van de oneindig barmhartige aard van de ware geest.

  1. Neem geen leven.
  2. Steel niet.
  3. Koester geen begeerte.
  4. Spreek geen onwaarheid.
  5. Verkoop niet de wijn van misleiding.
  6. Spreek geen kwaad.
  7. Wees niet trots op jezelf en kijk niet op anderen neer.
  8. Wees goedgeefs met Dharma of bezit.
  9. Koester geen kwaad hart.
  10. Smaad de Drie Juwelen niet.

Door een diepe verbintenis met de leefregels aan te gaan worden we formeel een boeddhist. Het is noodzakelijk dat we ons volledig inzetten om in overeenstemming met onze ware natuur te handelen. Hier hangt onze integriteit als boeddhist van af. Op de eerste plaats komen de Drie Toevluchten als de fundamentele beloften van een boeddhist. We nemen onze toevlucht tot de Boeddha als leraar, omdat wij enig vertrouwen hebben in zijn leringen en in de integriteit van zijn leven. Hij wordt niet als goddelijk gezien, maar als het grote voorbeeld. De Boeddhatoevlucht omvat ook degenen die onze leraren zijn en die door hun manier van leven een voorbeeld voor ons zijn. Omdat onze ware natuur Boeddhanatuur is, moeten wij ook ons eigen bestaan eerbiedigen als Boeddha. Dat betekent dat we geloof en vertrouwen moeten hebben in onszelf. We hebben veel meer kans om goed te handelen als we dat zelfrespect hebben. Toevlucht nemen tot de Dharma houdt in dat we openstaan voor Boeddha’s leringen in de soetra’s en voor de lessen die we krijgen door onze ervaringen in het leven ‒ want alle dingen leren ons iets als ons hart daarvoor openstaat. Toevlucht nemen tot de Sangha is het erkennen van het natuurlijke overwicht van degenen die langer in training zijn dan wij of van mensen die een diepgaander begrip hebben dan wij, en hen om advies en begeleiding vragen. Het woord Sangha is traditioneel van toepassing op mannen en vrouwen die tot monnik zijn gewijd, die huis en haard hebben verlaten, celibatair leven en hun leven wijden aan training en het helpen van anderen. Maar ook onze mede-lekenbeoefenaars kunnen een uitstekende bron van hulp en aanmoediging zijn. In de breedste zin van het woord betekent Sangha alle mensen die de weg van de Boeddha volgen. Sommigen laten door hun voorbeeld zien hoe je kunt trainen, anderen laten zien wat je niet moet doen. Er is zowel moed als nederigheid voor nodig om toevlucht te nemen tot de Drie Juwelen.

Doe geen kwaad, de eerste van de Drie Zuivere Leefregels, is de bron van het juiste handelen. Als we geen kwaad doen, bieden we ruimte aan onze fundamentele zuiverheid om vanzelf te stralen. Als we eenmaal inzien dat het onze oprechte wens is om alleen goed te doen, de tweede van de Drie Zuivere Leefregels, moeten we ons daar werkelijk op toeleggen. Het is niet voldoende om het idee van het goede slechts met de mond te belijden ‒ het moet het middelpunt van ons leven worden. Onze diepe verbondenheid helpt ons om door te zetten in het levenslange trainingsproces. Het is moeilijk om met oude gewoontes te breken en er is veel werk voor nodig om onze misvattingen opzij te zetten zodra ze opkomen. Dit is mogelijk als we voldoende gegrond zijn of stil genoeg zijn om in te zien wat er gebeurt. De leidraad is ons intuïtieve gevoel van sympathie en mededogen. Bijvoorbeeld: is het goed om dit ding dat ik wil hebben mee te nemen? Als ik heb toegezegd om alleen het goede te doen, dan is alleen wat goed is om te doen van belang. Mijn verlangens komen niet meer op de eerste plaats en dat is precies waar het om draait als ik heb toegezegd om alleen goed te doen.

Verlangens zijn alleen maar verlangens; het gaat er om hoe wij erop reageren. Daarom kunnen in zazen alle mogelijke gedachten, gevoelens of emoties opkomen, zonder dat we ze hoeven te beoordelen. We moeten echter wel onderscheid maken tussen gedachten die vanzelf opkomen en het meegaan in die gedachten. Er kan een herinnering naar boven komen aan iemand die een mij geliefd persoon heeft gekwetst en ik merk dat ik boos ben. Geen kwaad doen houdt in dat ik die boosheid niet aanwakker. Dit betekent dat ik ophoud met het steeds opnieuw herkauwen van de gebeurtenis in mijn geest. Alleen goed doen is besluiten om in die boosheid te zitten zonder deze te onderdrukken of er aan toe te geven.

De leefregels zijn niet bedoeld als onvoorwaardelijke voorschriften die onder alle omstandigheden gevolgd moeten worden zonder oog te hebben voor de consequenties. Als er een conflict ontstaat tussen de Tien Leefregels, dan brengen we de kwestie naar het niveau van de Drie Zuivere Leefregels. ‘Doe geen kwaad’ omvat alle andere leefregels. ‘Doe alleen het goede’ is de persoonlijke toezegging, terwijl ‘doe goed voor anderen’ de Bodhisattva-gelofte is om alle wezens te redden voordat men zichzelf heeft gered. Deze houdt in dat het noodzakelijk is om te handelen voor het welzijn van anderen en is een positief gebod.

De leefregels beginnen met voldoende vertrouwen in onze bereidheid om eerlijk naar onze bedoelingen en handelingen te kijken. Als we tegen een van de leefregels ingaan, moeten we bijzonder voorzichtig zijn met wat we doen. We zijn verantwoordelijk voor ons handelen en zullen de gevolgen die eruit voortvloeien ondervinden. Mijn leraar zei vroeger altijd: ‘Zen is een religie voor spiritueel volwassenen’. De leefregels zijn niet rechtlijnig. Het is soms moeilijk te bepalen wat goed is om te doen ‒ soms schijnt een situatie om tegenstrijdige oplossingen te vragen. Er is geen absolute regel die we kunnen toepassen; we kunnen alleen onze uiterste best doen voor alle wezens. De leefregels geven ons niet de vrije hand, in de zin dat als we de regels volgen, we niet hoeven na te denken over wat we doen. Er is geen recept voor doen wat goed is om te doen. Een verbintenis met de Leefregels is een verbintenis in de wereld van het handelen. Wat we welbewust doen, heeft reële consequenties; het beïnvloedt de conditionering van de huidige en toekomstige staat van onze geest, ten goede of ten kwade. Intellectuele inzichten zijn belangrijk omdat ze ons kunnen helpen om de goede kant op te gaan, maar uiteindelijk gaat het er om wat wij doen. We kunnen ons niet aan de leefregels houden door gewoon maar niet te handelen; ze zijn er om ons richting te geven en aan te moedigen de volgende stap te zetten. Niets doen uit angst een fout te maken, is de treurigste fout.

Als we over moraliteit nadenken, komt vaak de kwestie van seksueel gedrag naar boven. In het Boeddhisme stoppen we seksualiteit niet in een speciaal hokje. Het is belangrijk dat we inzicht krijgen in alle soorten van begeerte en dat we de weg vinden om ze niet te onderdrukken, noch er aan toe te geven. Het komt er op neer dat we onderzoeken hoe we met begeerte omgaan. In het begin van onze training staan we anders tegenover seksualiteit dan aan het eind. Het gaat er om niemand schade te berokkenen; met andere woorden, er heel zorgvuldig op te letten dat jouw seksualiteit een uiting is van medeleven, liefde en wijsheid, en niet van hebzucht en begeerte. Sommige commentaren daargelaten, doet de Boeddha geen uitspraken over welke seksuele praktijken o.k. zijn en welke niet. Homoseksualiteit bijvoorbeeld is niet echt een punt. De Boeddha wil ons helpen inzien hoe we verdwaald raken in seksualiteit als we het met alle geweld willen of erdoor beheerst worden. In het Boeddhisme gaat niets boven het willen vinden van de Boeddhanatuur. Als je van mening bent dat seksualiteit belangrijker is, zal je slaaf van je begeerte blijven. Uiteindelijk moeten we zonder enig voorbehoud onze training doen. Ik beweer niet dat iedereen op een bepaald moment celibatair moet gaan leven. Maar wel dat als er ook maar iets is dat we niet bereid zijn los te laten, het uiteindelijk een obstakel zal worden.

In de grotere kloosters van de Orde wordt ieder jaar een zevendaagse retraite genaamd Jukai gehouden, speciaal voor het ontvangen van de leefregels. In die week wordt onder meer een aantal speciale ceremoniën gehouden die op diepgaande en ontroerende wijze de betekenis van de leefregels verbeelden. Het is de populairste retraite van het jaar. Door de leefregels formeel te ontvangen, bekrachtigen we iets diep in onszelf. Daarom is die week bij velen vaak een keerpunt in hun leven.

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.

Vervolg hoofdstuk 9: Dankbaarheid