Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 3


Meditatie is niets doen:
je hoeft niets te laten zien, niets te vragen en
niets af te wijzen.

Als we zazen doen, geven we uitdrukking aan onze ware aard, waarmee ik bedoel ons feitelijk bestaan in het huidige moment. Het verleden is voorbij en de toekomst moet nog komen ‒ dus waar zijn we? Die vraag kun je niet beantwoorden door er over na te denken, want zodra je een idee formuleert over waar je bent, ben je alweer verder. Het antwoord zit ‘m in alleen maar zijn ‒ of ‘alleen maar zitten’ zoals zazen soms wordt aangeduid. Dit impliceert dat je de geest anders gaat gebruiken. En dat doe je door je gedachten en gevoelens te laten gaan zodra ze opkomen, anders blijf je bezig met de gedachte of het gevoel van het laatste moment en ben je niet echt aanwezig. Je mediteert niet als je zit te denken aan wat je gisteren hebt gedaan of wat je straks zal gaan doen. Het helpt niks als je probeert je gedachten tegen te houden; ze komen op omdat je een normaal functionerende geest hebt. Maar je hoeft die gedachten niet te volgen, je kunt ze gewoon laten gaan. Een gedachte die spontaan opkomt, is alleen maar een gedachte. Ze is niet goed of slecht, maar het gaat erom wat je ermee doet, dat is erg belangrijk. Als oude wrok opkomt en je laat hem gaan, wordt de boosheid minder. Anderzijds, als je toegeeft aan die gedachte en er voortdurend mee bezig blijft, dan wordt haat gevoed. Het is belangrijk om tot een juiste houding ten opzichte van je gedachten te komen: houd ze niet vast en duw ze niet weg.

Allereerst moeten we de rol van de wil in het denken gaan onderkennen. Bijvoorbeeld, schijnbaar uit het niets duikt een herinnering op aan een voorval tijdens je laatste vakantie ‒ dat is een spontane gedachte. Vervolgens begin je te denken waar je dit jaar op vakantie naar toe zal gaan ‒ dat is een opzettelijke gedachte en deze opzettelijke gedachte moet je opzij zetten. Maak je geen zorgen over de spontane gedachten. Als je meditatiepraktijk zich verdiept, zul je merken dat er meer gedachten opzettelijk zijn dan aanvankelijk het geval leek. Het is cruciaal om te leren hoe je de controle over je opzettelijke denken kunt terugkrijgen, anders ben je slaaf van je denken en kan je nooit innerlijk stil zijn. Om je eigen aanwezigheid te kennen en ‘alleen maar te zitten’, moet je de oorspronkelijke geest gebruiken die je ware natuur is zonder enige wilsinspanning. Probeer niet de ware natuur om te vormen tot je eigen ideaalbeeld; laat haar met rust, zodat je de essentie van jezelf kunt leren kennen zoals ze is. We zijn zo gewend om onszelf te handhaven, om op elke gedachte en op elk gevoel meteen te reageren met weer een andere gedachte. We besteden bijna nooit tijd aan puur ‘zijn’, aan alleen maar zitten zonder het ‘ik’ te bevestigen. Mediteren is niets doen; je hoeft nergens uitdrukking aan te geven, nergens om te vragen en niets af te wijzen. Het werk van meditatie is je te bevrijden van het dóen van al deze dingen en je tegelijkertijd te ontdoen van een hoop mentale investeringen en projecties.

De gedachten die niet opzettelijk zijn, althans op ons huidige niveau van gewaarzijn, hebben relatief weinig effect en verstoren de meditatie dus niet, maar opzettelijke gedachten houden de geest op het niveau van het denkbeeldige ‘ik’ dat in hoofdstuk 1 besproken werd. Wanneer we opzettelijk denken, creëren we karmische gevolgen. Anders gezegd: we vormen onze geest en hersenen naar onze manier van denken en dat vergroot de kans dat we in de toekomst op soortgelijke wijze zullen handelen. Een loze fantasie hoeft niemand anders tot last te zijn, maar het zet je aan tot meer nutteloos fantaseren in de toekomst en zo ben je een flink stuk van je leven maar half aanwezig. De meeste mensen hebben de onjuiste indruk dat zij hun opzettelijke denkprocessen niet kunnen beheersen; ze proberen ze los te laten, maar de gedachten lijken een eigen leven te lijden. Jij bent degene die jouw gedachten denkt ‒ niemand anders doet dat ‒ en gedachten zijn afhankelijk van jouw wil. Meestal kost het ons moeite onze gedachten los te laten, omdat we aan ze gehecht zijn. We geloven dat we genieten van onze gedachten of we vinden ze geruststellend.

Het komt nogal vaak voor dat mensen zichzelf tijdens de meditatie proberen te rechtvaardigen. Er komt bijvoorbeeld een enigszins ongemakkelijke herinnering naar boven en ze bouwen dan een uitgebreide verdediging op die ze ook nog eens in een bezield pleidooi voor een denkbeeldige jury ten gehore brengen. Soms zijn we bang en dan kan denken een manier zijn om onszelf gerust te stellen. Soms hebben we gewoon een duf hoofd en zitten we als een zoutzak. Ons denken kan rationeel en geordend zijn, maar meestal is het een mengelmoes van fantasieën, innerlijke dialogen en herinneringen die ongericht alle kanten op schieten.

Als je voor het eerst ziet hoe je geest zich precies gedraagt kan dit soms schokkend zijn, maar het kan je ook bescheiden maken. Er zijn eindeloos veel redenen waarom we het zitten in meditatie moeilijk vinden. Ik vind dat het helpt om te zien hoe vaak gedachten door angst en begeerte worden beïnvloed. Deze twee zijn de fundamentele drijfveren achter het denkbeeldige ‘ik’. Het is belangrijk om hier te benadrukken dat niet al die activiteiten van onze geest als verkeerd moeten worden beschouwd, hoewel ze niet op hun plaats zijn als we zazen beoefenen. Het vermogen om over dingen na te denken is van vitaal belang voor ons welzijn, maar als we die functie geen halt kunnen toeroepen, als we slaaf in plaats van meester van ons denken zijn, dan hebben we een probleem.

Als ik volgende week ergens naar toe moet vliegen, kan ik er ineens achterkomen dat ik zit te fantaseren over terroristen die het vliegtuig kapen en hoe ik hen heldhaftig overmeester! Als je het zo zegt, is het makkelijk de grappige kant ervan te zien, maar eigenlijk word ik een beetje zenuwachtig van vliegen en dan komt de geest met deze geruststellende fantasie. Om die gedachten opzij te zetten, moet ik inzien dat ik een beetje bang ben en moet ik bereid zijn om in die angst te gaan zitten. Als er angst is, wees dan bang en accepteer dat je bang bent. Of anders gezegd: kijk openhartig naar de angst en hij verliest zijn macht. Als ik de ware natuur wil kennen, moet ik bereid zijn de dingen te nemen zoals zij zijn. Het is opmerkelijk dat naarmate ik dat doe, ik verlost word van mijn kwellingen. Geestestoestanden zoals angst en begeerte zijn, net als andere gevoelens en emoties, nauw verbonden met gedachten. In feite zijn gedachten en emoties eigenlijk delen van één ononderbroken samenhangend geheel.

Hetzelfde proces speelt zich af als er boosheid opkomt. Die boosheid gaat vergezeld van gedachten, meestal een herkauwen van de gebeurtenissen die mij kwaad hebben gemaakt of een fantasie over wat ik aan de situatie ga doen. Nu is het belangrijk om heel goed naar boosheid te kijken als je de kans hebt om dat vanuit je eigen directe observatie te doen, maar cultiveer boosheid niet om er alleen maar naar te kunnen kijken! Als de boosheid is opgekomen, ga dan na hoe dat voelt, let op hoe ze toeneemt en afneemt al naar gelang de loop van je gedachten. De kwaadheid kan wat wegebben tot je weer denkt aan de belediging die je werd aangedaan ‒ en hop, daar ga je weer! Als dit soort dingen gebeurt, wakkeren we de boosheid aan met de energie van onze gedachten. Zazen doen is zien dat de boosheid opkomt. Ga niet oordelen of ze goed is of slecht, of ze gerechtvaardigd is of niet. Zet die terugkerende gedachtepatronen opzij en je ziet dat misschien heel wat pijn en verdriet achter de boosheid schuilen. Ook die emoties zullen weer vergezeld gaan van gedachten, laat ook die gaan en de gevoelens van pijn zullen ook oplossen. Je kunt de kwaadheid in een oogwenk weer oppakken ‒ en in dat geval herhaal je het proces. Als we dit oefenen, worden we na een tijdje een veel minder boos iemand en kunnen we als er boosheid opkomt die sneller laten gaan. Je kunt kwaadheid zien aankomen en je kunt er voor kiezen je er niet door mee te laten slepen. Het duidelijkst zien we dit, als we ons bewust zijn dat er een situatie aan het ontstaan is, waarvan we weten dat die boosheid kan opwekken en, dit is het allerbelangrijkste, bereid zijn daar niet voor te kiezen. Als we doorgaan met de training, kunnen we uiteindelijk de fundamentele oorzaak van boosheid loslaten ‒ namelijk het bange zelf.

In mijn tienertijd groeide ik snel naar mijn huidige lengte van 1 meter en 91 centimeter. Mijn ouders verhuisden naar een oud landhuisje met lage draagbalken boven de deuren. Mijn vader was ook lang en net als ik stootte hij zijn hoofd als hij niet goed oplette. Hij ventileerde zijn gevoelens door vloekend met zijn vuist tegen de balk te slaan, een manier van doen die ik al snel overnam. Toen ik leerde mediteren, besefte ik dat ik mijn hoofd kon stoten zonder te vloeken en zonder tegen de balk te slaan. Zelfs als ik nog duizelde van de klap, was het mogelijk om innerlijk stil te blijven. Er was een moment van keuze. De balk had niet de bedoeling mij voor het hoofd te stoten en de frustratie was mijn eigen gevoel van stommiteit. Ik besefte dat ik me dwazer voelde als ik de balk sloeg en dat ik mijzelf de innerlijke opschudding van de kwaadheid kon besparen.

In andere situaties waarin boosheid opkomt, kan het veel moeilijker zijn om het te zien aankomen en vaak beseffen we pas dat we kwaad zijn als we er al middenin zitten. Maar door oefening leren we de gedachten los te laten en alleen maar naar het gevoel van boosheid te kijken. Als we dat kunnen, zal de boosheid verdwijnen. Hier komen we op een belangrijk punt aan: we moeten onze inspanningen niet richten op het wegdrijven van de boosheid. Stop gewoon met het voeden van de boosheid met boze gedachten. We moeten alles accepteren wat in zazen naar boven komt en bereid zijn om daarmee stil te zitten ‒ maak het niet meer dan het is en duw het niet weg.

Hoe komt het nu dat gedachten/emoties verdwijnen als je er rechtstreeks naar kijkt? In het boeddhisme worden herinneringen, gedachten en gevoelens allemaal beschouwd als mentale objecten. Het brein wordt beschouwd als een zintuig dat gebruikt wordt om mentale ‘dingen’ waar te nemen. (In het boeddhisme worden zes zintuigen onderscheiden, de normale vijf plus het mentale zintuig). Binnen ons geestelijke gezichtsveld kunnen we ons maar van één ding tegelijk bewust zijn. In minder dan een oogwenk kunnen we van het ene mentale object naar het andere overgaan; niettemin is er altijd maar één ding tegelijk. Dat betekent, dat als onze aandacht weggehaald wordt van de gedachtestroom, deze stroom ophoudt. Boosheid, verlangen en angst zijn voor hun bestaan alle afhankelijk van een gedachtestroom. Als je eenmaal rechtstreeks naar deze emoties kijkt, kan je de gedachtestroom niet voortzetten en dus houden ze op te bestaan. In een oogwenk kunnen we weer in gedachten verstrikt raken, maar we hebben een keuze: ze te voeden of niet. Veel zal afhangen van de mate van onze bereidwilligheid om ze te laten gaan.

We weten allemaal wat het is om ‘s nachts in bed te liggen piekeren – het draait maar rond en rond in onze geest, steeds maar weer hetzelfde ‘wat als…’, maar niet in staat het te laten rusten. Mijn ervaring is dat het helpt om de gedachtestroom te onderbreken en mezelf een adempauze te gunnen waarin ik mijn geest op iets anders kan richten. Eén van de manieren voor mij om dat te doen is het opzeggen van een korte tekst of misschien het reciteren van de Drie Toevluchten: “Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha, ik neem mijn toevlucht tot de Dharma, ik neem mijn toevlucht tot de Sangha.” (Je kunt hier alles reciteren waarmee je uitdrukking geeft aan wat je werkelijk wilt in dit leven). Het effect is dat het zichzelf in stand houdende denkpatroon wordt doorbroken en dat ik bekrachtig dat ik mijn leven wil baseren op waarheid in plaats van op fantasieën en projecties die tot zorgen leiden. Het is belangrijk dat ik door mijn manier van reciteren uitdrukking geef aan die wensen en niet zo maar wat mompel. Dit werkt als ik vertrouwen heb in zazen en niet in piekeren.

De wereld die wij ervaren, is de wereld die wij in onze eigen geest creëren. Onze gedachten en gevoelens worden bepaald door hoe wij de wereld zien; zij zijn niet absoluut, noch zijn ze zo betrouwbaar of zo echt als ze lijken. Als wij leren ons niet te laten leiden door onze gedachten en gevoelens, kunnen we zien dat ze eigenlijk als een fantasie of een droom zijn. Als we dat weten, kunnen we terugkeren naar de oorspronkelijke geest van zazen. Het is niet zo dat gedachten en gevoelens stoppen, maar we houden ze niet langer voor onze ware natuur.

In zazen leren we onszelf te bevrijden uit de greep van kwellende gedachten, emoties en gevoelens, omdat die ons aanzetten tot gedragingen die we later betreuren. Of zij kleuren de wereld zo dat we onze eigen projecties zien in plaats van de realiteit. Dit is een ernstig probleem en de bron van veel onheil en lijden. Als we onze angstige gedachten hun gang laten gaan, vooral als het gedachten over andere groepen mensen betreft, leidt dat tot boosheid, dan tot haat en razernij en, daardoor beïnvloed, mogelijk tot genocide. Als we iets doen aan onze eigen gedachten, verminderen we rechtstreeks de hoeveelheid en de verspreiding van het kwaad in de wereld. In het boeddhisme worden kwellende geestestoestanden beschouwd als iedere beweging van de geest die de ware natuur van onszelf en van de wereld dreigt te verduisteren. We hebben allemaal onze theorieën over wat er moet gebeuren om de wereld te verbeteren en bijna altijd gaat het over wat anderen moeten doen. Door het grote project van onze zentraining aan te gaan, zien we in dat het bij onszelf begint.

Ik heb een nogal algemene analyse gegeven van hoe de geest verstrikt raakt in zijn eigen mentale objecten, of dat nu fantasieën, gedachten of emoties zijn. Maar in de meditatie zelf moet je helemaal niet analyseren. Op dit ene moment gaat het niet om de vraag ‘waarom?’. Het gaat er om dat je stopt met het stimuleren van die gedachten. In diezelfde geest is het belangrijk je gedachten niet te beoordelen in termen van ‘goed’ of ‘slecht’, omdat daarmee het proces alleen maar verder gaat. Oordeel niet en maak geen excuses, zit gewoon! Als je de geest onder controle wilt brengen, moet je dat nu doen ‒ er is geen ander moment. Natuurlijk zijn er allerlei goede en noodzakelijke functies van de geest. De hele verzameling van boeddhistische soetra’s is er een groot voorbeeld van. Zazen moet de grondhouding worden van waaruit we onze vermogens gebruiken om te plannen, dingen te bedenken en om al onze andere wonderbaarlijke vermogens te benutten. Maar je moet wel goed inzicht hebben in wat je doet, het juiste referentiekader hebben en weten waar je op moet letten om te voorkomen dat je te ver afdwaalt.

Nog een laatste, belangrijk advies. Als je mediteert, houd jezelf dan niet alsmaar in de gaten, want daarmee probeer je jezelf in tweeën te splijten. Het komt erop neer dat je erop vertrouwt dat je mediteert, tenzij je ziet dat dat niet zo is en in dat geval zie je ook wat je moet loslaten.

Samenvattend zijn de belangrijkste punten van zazen: rechtop zitten en jezelf gronden in je fysieke wezen. Als gedachten en emoties opkomen, laat je ze gaan. Als je ze niet aanwakkert, zullen ze ophouden je te storen. Dit brengt je steeds dichterbij je ware natuur, de oorspronkelijke geest die één is met de werkelijkheid. Zazen is gewoon de geest zijn die we al zijn, zonder er iets aan toe te voegen. Het is het accepteren van alles dat als verschijnsel in de geest opkomt. Het is niet nodig om die verschijnselen te bestrijden of te beoordelen; laat ze gewoon los door de gedachten die ermee samengaan terzijde te schuiven. Hoewel hebzucht, boosheid en misvattingen zullen voortduren, hoeven we ons niet door ze te laten meeslepen. Als we stil zitten te midden van wat komt, vinden we stabiliteit en gemoedsrust en dit is de bron van mededogen.

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.

Vervolg hoofdstuk 4: Wie is Dit?