Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 9


 Het is van cruciaal belang dat het verlangen naar verlichting wordt gewekt.
Geen hoekje of gaatje mag onberoerd blijven door dit verlangen,
hoewel het iedereen tijd en veel moeite kost om alle schuilplaatsen op te geven.
Dit is het moment waarop de dankbaarheid werkelijk zingt…..

Eén van de tekenen van verlichting is dankbaarheid. Het is het lied van het hart in antwoord op de Boeddhanatuur. Hoe meer we de Boeddhanatuur vertrouwen en gehoor geven aan haar stem, hoe meer dankbaarheid er is. Soms wordt dankbaarheid intens gevoeld en is alles er geheel van vervuld; soms zijn we ons er niet van bewust. Als ons leven is geworteld in de Boeddhanatuur, is zij nooit ver weg, zelfs als de training ons zwaar valt en het lijkt of we door stroop waden. Dankbaarheid is een bevestiging dat we niet helemaal van het pad zijn afgeraakt, maar het is onverstandig om het te zien als een bevestiging van een of ander bijzonder kenmerk van de training. Dankbaarheid oordeelt niet: zelfs als we de wereld nog zien vanuit het gezichtspunt van een zelf, kan er dankbaarheid zijn; als we het zelf loslaten, is er grenzeloze dankbaarheid en stroomt het hart over.

Dankbaarheid is een natuurlijk aspect van de Boeddhanatuur en het is goed om dit te cultiveren. Door dat te doen, komen we dichter bij de Boeddhanatuur. Het cultiveren onthult de dankbaarheid die al aanwezig is, in plaats van deze te creëren. Er zijn vele manieren om dankbaarheid te cultiveren, maar alle beginnen met respect.

Boeddhisten in Japan gebruiken de gasshō, ook bekend als anjali of namasté, waarbij de handpalmen en de vingers tegen elkaar worden gelegd als een gebaar van respect of eerbied. Behalve dat het dankbaarheid uitdrukt, wordt het tevens gebruikt als groet omdat we anderen wensen te respecteren. Als we op dat moment geen dankbaarheid en respect voelen, dan is het gebaar een uitdrukking van ons verlangen om deze eigenschappen te ontwikkelen. Wanneer we de Boeddhahal binnengaan, maken we altijd gasshō en buigingen. Tijdens de ceremoniën die iedere morgen worden gehouden, maakt iedereen volledige buigingen naar de Boeddha en naar elkaar. Buiten het klooster kunnen we deze middelen niet echt gebruiken, maar de intentie die in deze gebaren tot uitdrukking komt, kan op vele andere manieren geuit worden. Als je iemand vraagt: “Hoe gaat het met je?”, kan dat slechts een gemeenplaats zijn, maar het kan ook een uitdrukking van werkelijke zorg zijn.

Nieuwe monniken worden heel vaak gecorrigeerd. Over elk detail van hun gedrag dat niet aandachtig is of dat niet de toewijding van een monnik uitdrukt, kan een meer ervaren monnik een opmerking maken. Na de derde keer op één ochtend, kan de gasshō waarmee je je erkentelijkheid betuigt een beetje stijfjes worden, maar mokken wordt niet toegestaan! We moeten de irritatie loslaten. We bevinden ons allemaal wel eens in een lastige situatie, vooral als we gespannen zijn en onder druk staan. We kunnen het onszelf misschien wel vergeven als we vloeken en vervallen in goedpraterij, maar dat helpt ons niet bij de training. “Mededogen is als de zee: alle wateren komen bij elkaar en vormen één zee”¹. De zee is de Boeddhanatuur. De prijs voor verlichting lijkt soms hoog ‒ totdat we de zee ingaan. De novice zal er niet elke keer in slagen om met respect te reageren, maar hij of zij moet heel goed weten wat er voor nodig is om de zee in te gaan.

Boosheid werkt dankbaarheid en respect tegen. Het boeddhisme ziet boosheid als een aandoening, omdat zij de geest vertroebelt en voorkomt dat we helder zien. Geestestoestanden worden beoordeeld naar de mate waarin zij bevorderlijk zijn voor verlichting of deze belemmeren. Daarom wordt boosheid als een vergif beschouwd. In de Westerse cultuur beschouwen we gerechtvaardigde boosheid of morele verontwaardiging als iets goeds, omdat het ons kan motiveren in onze reactie op onrechtvaardigheid. De motivatie in het boeddhisme komt voort uit mededogen. Mededogen kan heftig zijn als het moet, maar is nooit vermengd met woede. Als dat wel zo is, dan is het een aandoening van de geest en geen mededogen. Als er een juiste motivatie in ons opkomt als reactie op onrecht, dan is dat geen boosheid. Vanuit boeddhistisch standpunt is boosheid niet gerechtvaardigd, hoewel we groot mededogen moeten hebben met onszelf en met anderen als er veel lijden is geweest of groot onrecht is geschied. Uiteindelijk zal boosheid niet helpen, hoewel we misschien een periode moeten doormaken waarin we onderdrukte boosheid aan het licht brengen. Een reactie op onrecht die niet is gebaseerd op boosheid maar op mededogen, heeft veel minder kans om nieuw onrecht te veroorzaken. Boeddhisten worden boos, net als de meeste mensen, maar zij zien hun boosheid als iets dat zij moeten laten gaan. Vanuit zo’n perspectief kan alles wat er in het leven gebeurt, beschouwd worden als onderdeel van de training. Dan zijn er geen echte obstakels, omdat onze weg niet geblokkeerd kan worden ‒ en dan ligt er nog heel wat moeilijke training in ‘t verschiet..

Als we kunnen inzien dat wat er ook gebeurt een vorm van training is, dan kunnen we dat met dankbaarheid tegemoet treden. In het begin, als we net als de novice bezig zijn onze weg te vinden, kan onze gasshō wat krampachtig zijn en kan er binnensmonds heel wat gevloekt worden, maar als het onze intentie is om verlichting te realiseren, dan is training mogelijk. Het is van cruciaal belang dat het verlangen naar verlichting wordt gewekt. Geen hoekje of gaatje mag onberoerd blijven door dit verlangen, hoewel het iedereen tijd en veel moeite kost om alle schuilplaatsen op te geven. Dit is het moment waarop de dankbaarheid werkelijk zingt, want het is het moment waarop we de grote schat van de Boeddhanatuur ontdekken.

Het komt ieder ten goede om al het goeds dat voortkomt uit je training op te dragen aan het welzijn van alle wezens, om dankbaarheid te cultiveren aan de Boeddha voor zijn leer en om te beseffen hoeveel ons in dit leven gegeven wordt. Als we iedere dag ons leven wijden aan het welzijn van alle wezens, worden we verlost van heel veel lijden. Het gevolg is dan dat we nog veel meer kunnen geven. In het boeddhisme wordt verdienste gezien als die goede eigenschappen en voordelen die door training en juist handelen toenemen. Het is de weg van de Bodhisattva om al die verdienste op te dragen aan anderen, opdat zij de waarheid mogen realiseren. Het is een manier om liefdevolle vriendelijkheid te geven, in het bijzonder aan hen die in moeilijke omstandigheden verkeren en voor wie men in praktische zin weinig of niets kan doen.

Noten:
¹ Uit: Shushōgi van zenmeester Dōgen, vertaald uit het Japans naar het Engels door eerw. meester Jiyu-Kennett in Zen Is Eternal Life, 4de ed. (Mt. Shasta, CA: Shasta Abbey Press, 1999)

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey

Vervolg hoofdstuk 10: Zazen in zijn religieuze context