Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 12


Allereerst moeten we altijd buigen.
Dit is de uiterlijke beweging van de innerlijke intentie om alles los te laten.

Het is niet gemakkelijk om in zazen te zitten en onszelf onder ogen te zien. Toch hebben we een opmerkelijk vermogen om moedig en standvastig door te gaan, hoewel dat soms niet zo lijkt en het gemakkelijk is om te twijfelen en op te geven. De Boeddhanatuur roept ons en we weten dat er meer is in dit leven dan het najagen van vluchtige pleziertjes en successen. Er is een sterk verlangen in ieders hart om de waarheid te realiseren. Dit verlangen is het leven zelf, de impuls om te groeien en te bloeien naar de volheid van ons bestaan. We kunnen er van op aan dat het ons de weg wijst, dat het weet wat goed is om te doen, als we er in de praktijk werkelijk op vertrouwen en er gehoor aan geven in plaats van het als een ideaal te zien. Vaak herkennen mensen dit verlangen niet voor wat het is en jagen ze in hun onwetendheid achter allerlei dingen aan en veranderen dit verlangen in hebzucht. Dit kunnen we ook omdraaien als we heel goed kijken naar waar we werkelijk naar op zoek zijn in hebzucht. Het probleem is dat we meestal niet gewend zijn om zorgvuldig genoeg te kijken en zijn we dus gedoemd te hunkeren.

In een eerder hoofdstuk schreef ik over hoe ons leven en onze geest zijn verbonden met al het andere, dat het ‘ik’ geen afzonderlijk bestaan heeft. Eén van de bronnen van vreugde die daaruit voortvloeit, is onze diepe verbondenheid met alle leven. Het is door die verbondenheid dat we kunnen weten wat goed is om te doen. Het maakt ons niet onfeilbaar, aangezien ons onderscheidend vermogen in iedere situatie verdoezeld kan worden door onze angst, begeerte of verwarring, maar in de grond van de zaak is die verbondenheid met al wat is totaal. Dit geheel is meer dan de som der delen; dat is de wonderbaarlijke aard van het leven.

Voor mij zit er in het boeddhistische leven van training een diep aspect van devotie. Het is een vreugde om iedere ochtend en avond in dankbaarheid te buigen en het is een manier waarop ik mijn hart open kan houden. Waar buigen ik naar? Voor mij is devotie op zichzelf genoeg. Als ik mijn dankbaarheid schenk aan de Boeddha, schenk ik het aan de hele wereld ‒ er is geen Boeddha buiten deze wereld en geen wereld buiten de Boeddha. Het Boeddhabeeld waar ik naar buig, vertegenwoordigt de Boeddhageest die uiteindelijk in geen enkel abstracte term is uit te drukken en toch kunnen we hem kennen door ons leven te leven. Hoe meer contact ik met hem heb, hoe meer ik hem kan zien in de mensen en dingen om mij heen. De ene dag ziet dat beeldje er nogal vermoeid en verdrietig uit en een volgende dag lijkt het te glimlachen met een oneindige acceptatie van mij en alle wezens. Die veranderingen vinden plaats in mijn eigen geest. Ik merk hun weerspiegelingen op en probeer in overeenstemming met de omstandigheden van de dag te leven. Allereerst moeten we altijd buigen. Dat is de uiterlijke beweging van de innerlijke intentie om alles los te laten. Als we alles hebben laten gaan, ontstaat er een diepe, onbelemmerde vrijheid om te doen wat goed is. Het is dwaas om te geloven dat door te geven we iets verliezen, als de waarheid precies het tegenovergestelde is. We zouden de kansen die we krijgen om te geven, zowel materieel als spiritueel, moeten waarderen, want dat zijn de middelen waardoor wij groeien in het leven van training. We moeten niet aarzelen om anderen de kans te geven om ook te geven – het is goed om hulp te vragen, het is goed om in onderlinge verbondenheid te leven.

Ik merk dat ik gemakkelijk kan verdwalen in de boeddhistische theorie als ik probeer vast te pinnen wat de Boeddha wel of niet is. Het is veel belangrijker om zazen te doen. We hebben zeker het kader van juiste denkbeelden nodig en het is de moeite waard om tijd te besteden aan het bestuderen van de leer maar het is belangrijk om duidelijk te beseffen dat dit z’n beperkingen heeft. In de Zentraditie vertrouwen we niet op woorden en begrippen als middelen waarmee we de waarheid realiseren. Onze manier is om rechtstreeks te wijzen naar de waarheid die in ons allen is, er op te vertrouwen, en te leven vanuit die waarheid met alle toewijding die we in ons hebben. We hoeven er geen beeld bij te verzinnen, we hoeven er niet iets van te maken dat los van ons staat, of op een of andere manier boven ons staat ‒ en toch is het veel meer dan ons egocentrische zelf. We buigen naar dat wat groter is en we buigen naar dat wat in ons is, en we leren om geen onderscheid meer te maken. Als er geen verschillen zijn, is er geen zelf om ons aan vast te klampen; er is deze grote beweging en het stromen van het leven zelf: Boeddha erkent Boeddha en Boeddha buigt naar Boeddha.

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.