Uit: Zittend Boeddha, hoofdstuk 10


 Ons doel is om verlichting te realiseren, wat inhoudt dat we de ware natuur
van onszelf ontdekken en van het hele bestaan.

Meditatie wordt tegenwoordig in toenemende mate onderwezen in een niet-religieuze context, bijvoorbeeld als aandachtstraining voor mensen die aan depressies lijden en massa’s andere problemen hebben. Ik heb de indruk dat die aanpak heilzaam kan werken en het is goed om te zien dat sommige voordelen van de boeddhistische praktijk beschikbaar zijn voor mensen die ze anders misschien niet zouden krijgen. Terwijl de therapeutische toepassing van meditatie is gericht op het ontwikkelen van een relatieve normaliteit, minder verwarde geestestoestanden en een grotere mate van acceptatie, gaat het fundamentele doel van de boeddhistische praktijk veel verder. Ons doel is verlichting te realiseren, wat inhoudt dat we de ware natuur van onszelf ontdekken en van het hele bestaan. Dit betekent dat we alle hebzucht, haat en onwetendheid loslaten, zodat er niets meer in de weg staat om het hart van mededogen en wijsheid te openen. Ik zie deze twee doelen, het therapeutische en die van verlichting, als onderdeel van één continuüm; maar als het onze wens is om verlichting te bereiken, dan moeten we veel verder gaan dan de therapeutische context. Boeddhisme wijst naar de mogelijkheid van verlichting, die we kunnen realiseren als we bereid zijn ver genoeg te gaan.

Zazen is de essentie van dit proces. Maar toch, als we alleen maar zitmeditatie doen, zijn er aspecten van verlichting die we zeer waarschijnlijk nooit kunnen realiseren. Het is niet zo dat zazen op zichzelf een beperkte training is, het is eerder zo dat als we alleen zittend zazen doen, we dan een beperking opleggen aan datgene dat ver voorbij iedere vorm gaat. Verlichting omvat ook de caleidoscopische geest die in staat is in alles de waarheid te zien.

Als mensen het klooster bezoeken, zijn ze soms verrast door de ceremoniën die iedere dag worden gehouden, de incidentele festivals en andere religieuze gebruiken die we hebben. In het vorige hoofdstuk beschreef ik hoe buigen een deel van onze praktijk is en ik herinner me nog goed mijn eerste bezoek aan het klooster en hoe ongemakkelijk ik me daarbij voelde. Omdat mensen vaak door de rationele grondslag en door het ontbreken van nadruk op dogma en geloof tot het boeddhisme worden aangetrokken, hebben ze vaak meer moeite met ceremoniën en religieuze vormen dan met de basispraktijk van de meditatie. Maar deze religieuze en devotionele dimensies hebben een grote waarde en vormen een belangrijk deel van onze traditie. Juist hun onbekendheid kan ons brengen naar plaatsen binnen onszelf die we anders misschien zouden missen. Ceremoniën zijn manieren om onze dankbaarheid uit te drukken en door hier uiting aan te geven, gaan we het dieper begrijpen. Het zal ons niet veel helpen om als waarnemer een ceremonie bij te wonen, maar als we met een open hart meedoen, kunnen we van binnenuit voelen waar het om gaat. Toen ik ophield me druk te maken over hoe ongemakkelijk ik mij voelde en alleen maar boog, was er iets in mij dat geraakt werd door de fysieke beweging en werd de buiging een werkelijke uiting van iets diep in mijzelf dat ik anders misschien nooit had gekend. Dit is een ander kennen dan het intellectuele kennen; het is veel intuïtiever en directer.

Elke morgen komt de hele gemeenschap bij elkaar en zingt de geschriften die de essentie van de leer zijn. Na een verrassend korte tijd beginnen we ze te onthouden en zijn ze dus altijd voor ons beschikbaar. De geschriften zijn van een buitengewone zuiverheid en aanvankelijk kunnen we er maar een klein beetje van begrijpen, maar naar gelang onze training zich verdiept, krijgen ze een steeds grotere betekenis en lijken ze soms de weg te wijzen.

Boeddhisten hebben gewoonlijk ergens in huis een altaar. Dat bestaat meestal uit een klein Boeddhabeeld met een kaars, wat bloemen, een wateroffergave en een wierookkom. Het helpt om wat wierook aan te bieden, of alleen de kaars aan te steken voordat we gaan zitten en drie buigingen te maken naar het altaar. Waar buigen we naar? Zelf vind ik het beter om me daar geen enkele voorstelling van te maken en ik wil zeker niet buigen naar wat voor idee dan ook. Net als de oorspronkelijke geest van zazen, hoeven we niets toe te voegen of weg te halen. Alleen maar buigen, alleen maar aanwezig zijn, opent een onpeilbare diepte in ons, die we het beste voor zichzelf kunnen laten ‘spreken’. Het altaar symboliseert het, maar definieert het niet. Het herinnert mij aan wat belangrijk is en wordt een punt waarop ik mij kan heroriënteren als ik geconfronteerd wordt met verwarring en twijfel en ook wanneer ik uiting wil geven aan mijn diepste intentie in de training. Daarom impliceert voor mij een altaar niet een god, maar verwijst het eerder naar de oneindige diepte van dit moment.

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.

Vervolg hoofdstuk 11: Dood