Maanreflectie-in-water-300x234De drie kenmerken van het leven zijn volgens het boeddhisme: het lijden1; de onbestendigheid van alle dingen (alles verandert en is slechts tijdelijk); en tenslotte dat er geen blijvend, onveranderlijk en op zichzelf staand ‘ik’ bestaat in een wereld van onbestendigheid. Deze drie kenmerken hangen nauw met elkaar samen. Om te lijden moet er een ‘ik’ zijn die lijdt, en omdat alles onbestendig is, is ook lijden en diegene die lijdt onbestendig en tijdelijk. Er is naast deze drie kenmerken ook wat anders, en dat is de staat van vrede en vreugde, die op de een of andere manier de achtergrond vormt van het toneel waarop de wereld van lijden en onbestendigheid centraal staat. Hij wordt soms het vierde kenmerk genoemd en gedefinieerd als ‘Nirvana is vrede’. Nirvana moet zelf vrij zijn van lijden en van een ‘ik die lijdt’, anders zou het ook onbestendig zijn en dat stemt niet overeen met de Boeddha’s leer die zegt dat Nirvana zelf niet komt en gaat. Hij zei hierover namelijk het volgende:

‘Monniken, er is het ongeborene, het ongewordene, het ongemaakte, het ongeconditioneerde. Als dat ongeborene, dat ongewordene, dat ongemaakte, dat ongeconditioneerde er niet zou zijn, dan zou er hier [in deze wereld] geen wegebben van wat geboren, geworden, gemaakt, geconditioneerd is gekend worden. Maar omdat het ongeborene, het ongewordene, het ongemaakte, het ongeconditioneerde er is, daarom wordt er een wegebben van het geboren, geworden, gemaakt, geconditioneerd is gekend’.2

Het was in de tijd van de Boeddha de gewoonte om Nirvana, de permanente staat van vrede, te beschrijven aan de hand van wat het niet is, dus via de ontkenning, ook wel de ‘via negativa’ genoemd. Dit is in overeenstemming met de toen gangbare Hindoeïstische filosofische traditie waarin de Sanskriet woorden ‘neti, neti’ (niet dat, niet dit (dat)) een belangrijke rol speelden. Toch drukte de Boeddha zich soms uit in positieve termen; zo zegt Hij in een van z’n toespraken (Anguttara Nikaya) dat er een inherente zuivere en verhelderende geest is die alleen maar toevallig bedekt wordt door bezoedelingen (= hechtingen).

In het boeddhisme ontstond ongeveer tweeduizend jaar geleden een nieuwe stroming, het Mahayana boeddhisme waartoe de Zentraditie behoort, waarin het begrip ‘inherent zuivere en verhelderende geest’ in diverse teksten, waaronder de Lotus Soetra, verder werd uitgewerkt. In deze Soetra staat o.a. een parabel over een brandend huis. De menselijke geest met zijn gehechtheden, verlangens, oordelen, etc., is als een brandend huis. De Boeddha die buiten staat en ons naar buiten roept, is de Universele Boeddha en verpersoonlijkt dat wat voorbij de menselijke geest is; het ongeborene, ongeconditioneerde, dat vrij van lijden is, Nirvana.

Bodhidharma

Bodhidharma

Een latere Soetra, de Lankavatara Soetra uit de vierde eeuw, neemt nog een extra stap door te stellen dat wat we zien, denken of voelen, niets meer is dan onze eigen geest. Bodhidharma, de monnik die de Zentraditie van India naar China overbracht in de vijfde eeuw, zei over ‘onze eigen geest’ o.a. het volgende:

‘De geest is zonder begin, nooit veranderd. Hij heeft nooit geleefd en is nooit gestorven, nooit verschenen, vermeerderd of verminderd. Hij is niet zuiver of onzuiver, goed of kwaad, verleden of toekomst. Hij is waar of onwaar. Hij is niet mannelijk of vrouwelijk. Hij verschijnt niet als een monnik of leek, leraar of leerling, wijze of dwaas, Boeddha of sterveling. Hij streeft niet naar verwezenlijking en lijdt niet door karma3. Hij heeft geen kracht noch vorm. Hij is als ruimte. Je kunt hem niet bezitten en je kunt hem niet verliezen.’

‘Maar deze geest is subtiel en moeilijk te zien. Hij is niet dezelfde als de zintuiglijke geest. Het vermogen van de geest is grenzeloos en zijn manifestaties zijn onuitputtelijk. Vormen zien met je ogen, geluiden horen met je oren, geuren ruiken met je neus, smaken proeven met je tong, elke beweging of elke stemming is allemaal je geest. Ieder moment waar taal niet kan komen; dat is je geest. Zijn vermogen om dingen te onderscheiden, wat hun beweging of stemming ook is, is het gewaarzijn van de geest. Maar de geest heeft geen vorm en zijn gewaarzijn geen grenzen.’

‘‘Boeddha’ is Sanskriet voor wat je ‘gewaarzijn’ noemt, ‘wonderbaarlijk gewaarzijn’. Reageren, waarnemen, je wenkbrauwen optrekken, met je ogen knipperen, je handen en voeten bewegen, dat is allemaal je aard van het wonderbaarlijke gewaarzijn….Je eigen aard zien is zen.’ 4

Bodhidharma maakt hier duidelijk dat onze Boeddhanatuur niet iets is dat verworven wordt na jarenlange beoefening, maar dat het onze eigen aard is. Het is dit wonderbaarlijk gewaarzijn dat iedereen doet weten dat hij of zij bestaat. Wanneer we over onszelf denken, denken we in termen van lichaam en geest. Maar hier wordt naar een zuiver gewaarzijn verwezen dat vrij is van elke vereenzelviging, dus ook vrij van de vereenzelviging met het lichaam en de geest.

Wanneer we nauwkeurig observeren in meditatie, zien we dat ‘lichaam’ niet meer betekent dan het ervaren van lichamelijke gewaarwordingen, en ‘geest’ niet meer dan mentale gewaarwordingen. Deze komen en gaan en zijn in zichzelf onbestendig. En wat we ‘wereld’ noemen, is niet anders. Percepties komen en gaan en zijn ook in zichzelf onbestendig. Maar in het komen en gaan van percepties, in het ervaren van gewaarwordingen, is een constante aanwezig en dat is het ‘wonderbaarlijk gewaarzijn’ dat gewaar is van dat komen en gaan van gewaarwordingen. Dat wonderbaarlijk gewaarzijn geeft ons het besef te bestaan, te zijn. In variatie op de Franse filosoof Descartes zou je kunnen zeggen ‘Ik ben gewaar, dus ik ben’. Het gewaarzijn bezit geen objectieve kenmerken zoals vorm, dimensies, textuur, kleur, etc., en daarom wordt het vaak omschreven als de ruimte waarin de wolken komen en gaan, of als een heldere spiegel of een groot meer. Zo schrijft de Chinese zenmeester Han-shan De-qing (1546 – 1623) in zijn gedicht ‘Kijken naar de Geest’5:

Kijk goed naar wat je lichaam is – het is niet wat jij bent,
maar een beeld in de spiegel van het gewaar zijn,
zoals de weerspiegeling van de maan op het water.

Kijk goed naar wat je geest is – het is niet
de gedachten en emoties die erin verschijnen,
maar de heldere wetende ruimte die ze bevat.

Als er geen enkele gedachte opkomt, is je geest
open en opmerkzaam, stil en verhelderend;
in zichzelf compleet als een grote alomvattende ruimte
bevat het alle wonderbaarlijke dingen.

Mummiebeeld van Hui Neng

Mummiebeeld van Hui Neng

En de Chinese Zenmeester en zesde patriarch van de Soto-Zentraditie Hui-neng (638-713)
zegt in zijn gedicht ‘De eigennatuur is als een helder blauwe hemel’ o.a.:

‘De eigennatuur is altijd rein, zon en maan zijn altijd helder. Enkel wanneer wolken hen bedekken, is boven helderheid, onder duisternis, en zon, maan en sterren kunnen niet goed gezien worden. Maar wanneer plotseling de wind der wijsheid waait en wolken en nevel verdrijft, verschijnen opeens al de vormen van het heelal. De reinheid van de natuur van de mens is als de blauwe hemel… Inzicht en wijsheid zijn altijd helder, maar wanneer mensen uiterlijk aan dingen blijven hangen, bedekken dwalende gedachten als trekkende wolken de eigennatuur, zodat die niet helder kan zijn.’ 6

Onze geest is zuiver gewaarzijn en onze Boeddha- of eigennatuur, onze ware aard, die volgens Bodhidharma subtiel is en moeilijk te zien, maar zeker niet geheimzinnig of esoterisch. Want onze aard is de ervaring van te zijn, en die is elke seconde van de dag aanwezig. Echter we geven daar nooit aandacht aan, maar houden ons bijna obsessief bezig met, en verliezen onszelf in, de gewaarwordingen die komen en gaan.

Onze zitmeditatie is dan ook een ideale gelegenheid om onze eigennatuur te exploreren. We zitten en zijn gewaar van het komen en gaan van gewaarwordingen. We ontvangen ze met een liefdevolle vriendelijkheid zonder dat we er ook maar iets mee doen. We merken ze gewoon op. Dat gewoon opmerken is niet zo makkelijk omdat we tijdens het zitten de kracht van conditioneringen goed voelen; de geringste gedachte wordt door ons al gauw tot een verhaal gemaakt. Daarom adviseerde de Boeddha zijn monniken om de aandacht te richten op het lichaam:

‘Met zijn aandacht gevestigd op zijn lichaam,
beheerst tegenover de zes zintuiglijke indrukken 7,
kan een monnik, voortdurend geconcentreerd,
de uitdoving van het zelf leren kennen.’ 8

Wanneer we de aandacht laten rusten in ons centrum – in het Japans hara of tanden genoemd – en met vriendelijkheid naar onszelf kijken, kunnen we opmerken dat de spierspanning in ons lichaam minder wordt. Terugkomen naar onszelf als open helder gewaarzijn is een ontspanning, een niet-doen (in het Chinees wordt het ‘wu wei’ genoemd: handelen door niet te handelen). We zijn dan één met de gewaarwordingen of zintuiglijke indrukken die komen en gaan, net zoals de lucht één is met de wolken die erin verschijnen en weer oplossen. En dit één zijn met de dingen is de basis van mededogen. We kunnen ook opmerken hoe onze spierspanning toeneemt als we gaan reageren op de zintuiglijke indrukken. Een enkele tweede gedachte is genoeg om subtiel aan te spannen, wat laat zien dat actief denken een inspanning van ons vraagt. Dit hechten aan gedachten en andere zintuiglijke indrukken gebeurt omdat we ons vereenzelvigen met gedachten en met lichamelijke gewaarwordingen. De vereenzelviging is waaruit het gevoel van ‘ik’ als lichaam/geest voortkomt. En omdat gedachten en lichamelijke gewaarwordingen komen en gaan, denken we over onszelf ook als een iets dat een begin heeft, oftewel we worden geboren, en een einde, oftewel we zullen sterven, en daarmee vergeten we onze eigennatuur die ongeboren, ongeworden, ongemaakt en ongeconditioneerd, en vrede zelf is.

Wanneer je zit met een vriendelijk ontspannen aandacht, rustend in je centrum, gewaar van de zintuiglijke indrukken, maar er niet op reagerend, is er een fysieke en mentale kracht in je die je fysiek en mentaal stabiel maakt. Diegenen die een introductiecursus bij ons hebben gevolgd, hebben die kracht kunnen exploreren en ervaren. De Chinese Zenmeester Ta Hui zegt over kracht en stabiliteit het volgende:

‘Dat, wat vanuit het hart van je wezen voortvloeit,….is je eigen gewaarzijn, altijd aanwezig, maar zonder begin, en fundamenteel volmaakt in zichzelf. Zo gauw je zelf een tweede gedachte opwekt, kom je terecht in vergelijkend gewaarzijn.

Vergelijkend gewaarzijn is iets dat verkregen wordt door uiterlijke fijnzinnigheden; aanwezig gewaarzijn is iets van voordat je ouders geboren werden, … Kracht verkregen vanuit beginloos aanwezig gewaarzijn is sterk; kracht verkregen door vergelijkend gewaarzijn is zwak. Met sterke kracht kan je zowel verlichting als illusie binnentreden. Als je kracht zwak is, kan je de staat van verlichting binnentreden, maar in de staat van illusie raak je dan altijd verdwaald – en zulke mensen zijn ontelbaar.’ 9

Je eigennatuur zien vraagt wijsheid, de wijsheid die Hui-neng in zijn gedicht hierboven beschrijft als de wind der wijsheid die waait en wolken en nevel verdrijft. Deze wijsheid is niet een wijsheid die afhankelijk is van intellectueel weten. In het boeddhisme wordt het de ‘Grote Wijsheid van het Hart’ genoemd, in het Sanskriet ‘Maha-Prajna’. Hui-neng zegt in een toespraak over prajna o.a. het volgende:

‘Prajna betekent “wijsheid”. Als we altijd en overal onze geest vrijhouden van dwaze begeerte en in alle omstandigheden wijs handelen, dan beoefenen we prajna. Eén dwaze gedachte volstaat om prajna te doen verbergen, terwijl één wijze gedachte volstaat om prajna opnieuw te onthullen.’

‘De prajna die eigen is aan de essentie van de geest kan men vergelijken met de regen of de dauw die alle levende dingen – de bomen, de planten en alle levende wezens – verfrist… Prajna verschilt niet van persoon tot persoon. Het enige verschil is dat iemands geest ofwel verlicht is ofwel misleid is.’

‘Geleerd publiek, als we prajna gebruiken voor introspectie, dan worden we door en door verlicht, en zijn we klaar om onze geest te doorgronden. Hierdoor worden we bevrijd [van lijden]’ 10

En hij schrijft in een van zijn gedichten:

‘De wijsheid die is als een spiegel, is van nature zuiver.
De gelijkmoedige wijsheid bevrijdt de geest van alle belemmeringen.
De allesdoordringende wijsheid aanschouwt de dingen op intuïtieve wijze en laat het denken ver achter zich.
De wijsheid die alles uitvoert heeft dezelfde eigenschappen als de wijsheid die is als een spiegel.’ 10

De Boeddha op het altaar symboliseert en belichaamt die wijsheid. Laten ook wij die wijsheid belichamen in onze meditatie en in ons dagelijks leven door te vertrouwen op dat wat gewaar is van het komen en gaan van de dingen. Dat betekent vertrouwen op je ware aard, je Boeddhanatuur, en Nirvana, met haar vrede en vreugde, zal daardoor gekend worden.

*      *      *      *      *

1) Lijden (Pali: dukkha; Sanskriet: duhkha); een veelgebruikte term in het boeddhisme.
Dukkha wordt in de Pali teksten uitgelegd als behorend tot drie categorieën:

  • Het fysieke en mentale lijden dat gepaard gaat met geboorte, ouderdom, ziekte en sterven.
  • De angst of stress die voortkomt uit het vasthouden aan dingen die onbestendig zijn.
  • Het onbevredigend zijn van alle vormen van bestaan, want alle levensvormen zijn onbestendig, veranderlijk en zonder een onveranderlijke kern of substantie.

2) Udana (VIII.3) uit: De verzameling van korte teksten, deel 2. Jan de Breet, Rob Janssen & Anco van der Vorm. (Asoka, 2007)
3) Karma; het gevoel dat we ervaren als resultaat van een actie, verricht door het denken, door spraak of door het lichaam. Meestal wordt negatief karma bedoeld, dus een onprettig gevoel als gevoel van negatief denken, spreken of handelen, maar karma kan ook een prettig gevoel zijn als gevolg van een positieve actie.
4) Bodhidharma – De oorsprong van Zen. Vertaald uit het Chinees door Red Pine. (Karnak, 1993)
5) Vertaald uit het Chinees door eerw. Hakuun Barnhard. (zie: http://www.unsui.eu)
6) Geschichte des Zen-Buddhismus. H. Dumoulin, Band I: Indien und China. (Bern, 1985)
7) In het boeddhisme worden zes zintuigen onderscheiden: het gezichtsvermogen, het gehoor, het reukorgaan, de smaakzin, de tastzin en het denkvermogen.
8) Udana (III.5) uit: De verzameling van korte teksten, deel 2. Jan de Breet, Rob Janssen & Anco van der Vorm. (Asoka, 2007)
9) Swampland Flowers: The Letters and Lectures of Zen Master Ta Hui. Vertaald door Cleary, J.C. (Shambhala Publications, 1977)
10) De Sutra van Hui-neng. Wong Mou-lam. (Ankh-Hermes bv, 2001)