Eerw.-meester-Meiten-110x150Uit het boek ‘Reflections on the Path, Zen Training in Everyday Life’ van eerw. meester Meiten McGuire, een senior monnik van de Orde en voormalig leraar van de Vancouver Island Zen Sangha. Ze is recent op 89-jarige leeftijd met pension gegaan.
Vertaling: Michel Tillie


Vanochtend zat ik in stilte, toen ‘Bloemen Vallen’ me te binnen schoot, de titel van een commentaar op een van de grondslagleggende teksten van de Japanse zenmeester Dōgen. Daarop volgde de bekrachtiging “ja!” en een gevoel van de kostbaarheid van elk voorbijgaand ogenblik. Het was een van die bitterzoete momenten als de aangrijpendheid die je voelt haast tastbaar is. Het leek alsof heel het leven een ogenblik lang tot stilstand kwam. Misschien is dat wat een zenmeester bedoelde met zijn leerstelling ‘Eeuwigheid in het moment is de belangrijkste oefening’. Er is geen stress, geen acute nood om iets te herstellen of te repareren; het is alleen dat kostbare ‘zijn’ dat door onze beoefening tastbaar en ervaarbaar wordt.

En het is niet zo dat dit alleen maar heel zelden gebeurt. Wat het zeldzaam maakt is dat we het bijzondere van elk moment niet herkennen. In de woorden van de Engelse dichter William Blake: ‘Wie vreugde in volle vlucht kust / leeft in de eeuwige zonsopgang’. Als je ‘vreugde’ vervangt door ‘elk moment’, dan kom je een aardig eind om de lading van zulke momenten in woorden te vangen. Maar de meer gewichtige vraag blijft overeind: wie is er in staat om het moment zelf te vangen – om dit ene bijzondere moment in volle vlucht te kussen? Onze praktijk biedt ons die mogelijkheid door het licht van ons kostbare gewaarzijn op het huidige moment te laten schijnen – hier en nu – zonder het ook maar enigszins op te splitsen. Dat gebeurt als de kleine geest, ons kleine zelf, in ruste is. Ik zeg ‘in ruste’ omdat, en dat weten we allemaal, het kleine zelf direct klaarstaat zodra ook maar iets zijn activiteit wekt. Maar we kunnen, om het zo uit te drukken, de aangrijpendheid van het moment ook vangen voordat het kleine zelf de kop opsteekt. Dat is het geschenk dat we onszelf geven door toegewijde beoefening, het geschenk dat onze spirituele praktijk tot fundament en basis van ons leven maakt. Het is de voortgezette bereidheid om te groeien en elke beperking die ons nog weerhoudt voorbij te gaan.

Het wonderbaarlijke is dat dit gewaarzijn überhaupt mogelijk is. We kunnen het niet zien gebeuren omdat het een groeiproces is dat veel subtieler is dan het leren van een fysieke taak. Het is een innerlijk opbloeien dat ontstaat als we de ketenen loslaten die ons vasthouden. De Boeddha somde heel nauwkeurig vijf hindernissen voor ons gewaarzijn op: verlangen, afkeer, rusteloosheid en piekeren, luiheid en apathie, twijfel. Op een andere manier uitgedrukt is dit: overheerst worden door hebzucht, haat en verwarring. Dit zijn de krachten die ons een nieuwe ronde van bestaan als een ‘ik’ en een ‘mij’ induwen. Het heeft geen zin om onszelf te verwijten dat we zelfzuchtig zijn of boos, lui, rusteloos of een en al twijfel. Wat heb je daaraan? Dat versterkt alleen maar Mara, die personificatie binnen het boeddhisme van de destructieve krachten die zo moeiteloos en verraderlijk het scherm van onze geest volledig innemen en ons gewaarzijn blokkeren.

De Boeddha werd na zijn verlichting zeven keer door Mara bezocht. Mara bezoekt ons ook – met gedachten, gevoelens, impulsen en verlangens die zich manifesteren op manieren die een grondig onderzoek waard zijn. Onze beoefening stelt ons in staat om ons hiervan bewust te worden en te zien waardoor dat wordt opgewekt. Deze bewustheid geeft ons de mogelijkheid te kiezen om niet door deze innerlijke onderstromen beheerst te worden.

Steeds weer opnieuw kunnen we leren ‘nee’ te zeggen en een andere pad te kiezen. In de Katha Upanishad*) wordt ons gezegd dat er een pad van plezier is en een pad van vreugde. In het begin nodigt plezier ons uit met de herinnering aan genot en bevrediging. Zeer verlokkend! Shakespeare schrijft in een van zijn meer trieste sonnetten: ‘In schaamte geloosd, verkwiste geest / is daad uit lust’. Heel het gedicht gaat over die gedesillusioneerdheid en eindigt aldus: ‘Niemand ter wereld kan die hemel mijden / Al weet elk mens naar welke hel ’t zal leiden’. Wat wij hierop kunnen antwoorden is: “William, het hoeft echt niet zo te zijn; deze ervaringen kunnen het pad vormen waarop we ons onttrekken aan de drang naar almaar meer genot”. Hoe meer we onze beoefening werkelijk leven, hoe sterker we ervaren dat we dat andere pad echt kunnen bewandelen, het pad van vreugde. In het begin lijkt het misschien niet zo uitnodigend – zelf afstotend ̶ , het vergt discipline en zelfbeheersing om het hunkeren te weerstaan. Vaak hebben we zoveel discipline en zelfbeheersing in onze jeugd opgedrongen gekregen door opvoeding of maatschappij, dat we ons daar vooral tegen afzetten. Maar het verschil is dat we ze nu als waarden kunnen verinnerlijken die voor ons zelf waar zijn – in ons hart als waar worden ervaren – in plaats van dat we iets ‘moeten’ of iets ‘niet moeten’. Zodra we merken hoe ons kleine zelf die woorden gaat hanteren om het handelen te beoordelen, kan onze beoefening ons helpen om te zien dat dit een geconditioneerde en beperkende waarschuwing uit het verleden betreft die in het licht van onze rijpheid kan worden onderzocht. We zijn heel goed in staat om kinderlijke dingen aan de kant leggen, net zo als beschamend genot.

We moeten de volle kracht van onze oefening naar dit moment brengen en wijs onderscheidingsvermogen ontwikkelen om te kunnen zien wat nu passend is. Het gaat om een steeds verder afpellen van oude neigingen, oud karma, en dat is echt mogelijk. Is het moeilijk? Ja, het is moeilijk. Maar wat dan nog? Het leven is moeilijk, het leven is een uitdaging. Het leven zal ons keer op keer leren wat de waarde is van een leven dat met aandacht en een zekere terughoudendheid wordt geleefd, niet opgelegd door oude conditioneringen maar als keuze, omdat het is wat we willen, wetende dat we het pad van vreugde kunnen volgen naar nirwana, het einde van lijden. De Boeddha zei tegen zijn volgelingen: ‘Dit is een leer voor hier en nu, die je niet hoeft te geloven omdat ik het je zeg. Maak het waar voor jezelf. Kom en overtuig jezelf’. Dit is een oproep om je te bevrijden van zelf en iets in ons wil daar gehoor aan geven. Als we open zijn, reageert ons hart hierop met een kalme vreugde en waardering. We moeten de schouders zetten onder het vastgelopen wiel van apathie, gewoonte en gewenning aan een onbevredigend leven, en het gewoon doen.

Onze intentie geeft ons de gelegenheid die voortreffelijke, gewone momenten te waarderen die zoveel van ons leven uitmaken en geraakt te worden door de wetenschap dat dit alles voorbijgaat, er niets is om vast te houden. Dan leven we waarlijk in de ‘zonsopgang van de eeuwigheid’. Dat is nirvana, ‘de vrede die alle begrip te boven gaat’, die niet afhangt van een of andere gebeurtenis, persoon of omstandigheid. We kunnen vrij en onafhankelijk leven, gesteund door onze prachtige beoefening.

 

*      *      *      *       *

*) Katha Upanishad: een tekst behorend tot de verzameling Upanishads; dit zijn teksten die de filosofische basis vormen van het hindoeïsme.