Zenmeester Dōgen schrijft in zijn aanwijzingen bij het mediteren: “Streef niet een Boeddha te worden want Boeddha worden heeft niets te maken met het zitten in meditatie.”

Deze zin verwijst naar het hoofdstuk Zazenshin (het hart/geest van meditatie) uit zijn Shōbōgenzō (= het Oog en de Schat van de Ware Leer). In dat hoofdstuk beschrijft Dōgen een koan, een kort Zenverhaal, dat als volgt gaat:

Zenmeester Kōsei studeerde bij Zenmeester Nangaku en beoefende ijverig zazen. (Het Japanse woord voor Zenmeditatie)
Nangaku bezocht de mediterende Kōsei en vroeg hem: “Wat is het doel van zazen?”
Kōsei zei: “Het doel is een Boeddha te worden.”
Nangaku pakte toe een gebroken stuk tegel van de grond en begon het met een steen te polijsten.
Toen vroeg Kōsei: “Meester, wat bent u aan het doen?”
Nangaku zei: “Ik slijp het om een spiegel te maken.”
Kōsei vroeg: “Hoe kan je een spiegel maken door een tegel te polijsten?”
Nangaku antwoordde: “Hoe kan jij een Boeddha worden door zazen te doen?”

Nu kan het lijken alsof Kōsei nog deels onwetend was en werd verbeterd door zijn meester Nangaku, maar Dōgen denkt daar anders over. In Kōsei’s ‘Boeddha worden’ zit een zuivere intentie besloten, en die intentie zelf is een Boeddha intentie. Boeddha verwerkelijkt zichzelf in die intentie om Boeddha te worden volledig. Boeddha is in die intentie totaal aanwezig. Nangaku vult aan door te wijzen op het feit dat die intentie niet afhankelijk is van zitten. Dus het verhaal gaat verder.

Kōsei vroeg vervolgens aan Nangaku: “Wat is waar, hier en nu?”
Nangaku antwoordde: “Je studie van zazen is de studie van zittende Boeddha. Zazen is voorbij elk zitten of liggen. Wanneer je zittende Boeddha bestudeert, heeft zittende Boeddha geen enkele vaste vorm. Als je zittende Boeddha beoefent, moet je Boeddha volledig loslaten. Als je gehecht bent aan de vorm van zitten, zal je dit principe niet meester worden”.

Dōgen vult aan: “Dit principe toont zich in de meest krachtige wijze gedurende de tijd van het zitten, in de persoon die zit, in zittende Boeddha, en in de studie van zittende Boeddha.”

Wie is het, wat is het dat zit, nu in dit moment? En wat is dit zitten? Ben je een gewoon en onverlicht persoon die probeert een Boeddha te worden, of is je studie van zittende Boeddha, Boeddha die in het zitten zichzelf volkomen realiseert als zittende Boeddha? En is je zitten alleen fysiek of is zittende Boeddha ook aanwezig in staan, lopen en liggen? M.a.w. in elke activiteit in het leven?

We hebben de laatste tijd aandacht gegeven aan ‘niet-doen’, aan het terugkomen van doen naar zijn. Dit ‘niet-doen’ is zittende Boeddha, en ons zitten in meditatie om een Boeddha te worden, zoals Kōsei het volgens Dōgen terecht verwoordde, is zittende Boeddha die de ervaring van Boeddha worden realiseert. Nangaku wijst terecht op het feit dat om Boeddha worden te realiseren, zittende Boeddha moet worden bestudeert en dat is een doen te midden van niet-doen. Niet-doen en doen zijn hierin niet twee!
Zittende Boeddha is tijdloos. Boeddha worden realiseren is tijdloos. Zenmeester Keizan schrijft in zijn verzameling teksten De Denkōroku – de Optekening van het doorgeven van het Licht – dan ook het volgende:

Toen Hij de ochtendster zag, werd Gautama de Boeddha Shakyamuni en hij zei, zegt en zal zeggen, “Ik was, ben en zal gelijktijdig verlicht worden tezamen met deze aarde en met al zijn levende wezens”.

Moge deze woorden in het diepst van je hart resoneren en je meditatie maken tot zittende Boeddha die tijdloos zittende Boeddha realiseert. Zoals de Soetra van Grote Wijsheid dit poogt te verwoorden met de woorden: gaan, doorgaan, altijd verder gaan, altijd te boven gaan, altijd Boeddha worden”.

*     *     *     *      *