Het volgende artikel over de oprichter van de Orde van Boeddhistishe Contemplatieven werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Boeddhisme 1997.

In Memoriam Eerw. Meester Jiyu-Kennett

In het klooster Shasta Abbey in Californië is op 6 november 1996 na een langdurige ziekte de westerse Soto-Zenmeester Jiyu-Kennett overleden. Zij is 72 jaar geworden. Het is traditie dat na de dood van een abt of abdis een retraite van een week wordt gehouden met afscheids- en begrafenisceremoniën. Dit geeft de nagelaten discipelen bovendien de gelegenheid om langzaam en bewust afscheid te nemen van hun geliefde Dharmameester. De wijze waarop dat gebeurde in Shasta Abbey – stil, overwogen en met volle overgave – getuigde zowel van de grote liefde en eerbied die haar discipelen voor haar koesterden, als van de spirituele rijpheid van de leden van de orde die zijn stichtte. Ze zullen haar missen als vriend en als degene die het leven van een Boeddha zo duidelijk leefde en doorgaf.

Tot haar nalatenschap behoort de Order of Buddhist Contemplatives, de OBC, die afdelingen heeft in de Verenigde Staten, Canada, Engeland en Nederland. Leden van de orde zijn monniken en lekenleraren, mannen en vrouwen. Monniken zijn gewijd door de eerw. meester Jiyu-Kennett zelf en door haar oudere discipelen. Velen hebben van haar de Transmissie ontvangen. Ze beloven bij intrede hun begrip van de Leefregels van de Bodhisattva’s, zoals uiteengezet in de Brahmajalasoetra en Zenmeester Dogen’s Kyojukaimon, te verdiepen en ernaar te leven. Ook zijn ze gebonden aan tempelregels, die voortkomen uit de aanpassing van de Vinaya voor Chinese Zentempels door Hyakujo (in het Chinees Po-chang Huai-hai; hij leefde van 720 tot 814). Ze leven celibatair en vegetarisch.

De monniken wonen en praktiseren voornamelijk in de twee kloosters van de orde, namelijk Shasta Abbey in de Verenigde Staten en Throssel Hole Buddhist Abbey in Northumberland, Engeland, of in een van de kleinere tempels, priorijen geheten, die gevestigd zijn langs de kust van de Stille Oceaan, in het zuiden van Engeland, in Nederland, Letland en Duitsland. Na het overlijden van de eerw. Jiyu-Kennett werd de eerw. meester Daizui McPhillamy gekozen tot hoofd van de orde. Hij heeft meer dan 23 jaar onder haar leiding getraind en was vele jaren haar persoonlijk assistent. Na zijn dood in 2003 werd eerw. meester Haryo Young gekozen.

Dharma-beoefening

Shasta Abbey, in de schaduw van de majestueuze vulkaan Mt. Shasta, werd opgericht in 1970. De meditatieruimte (zendo), ceremoniehal (hondo) en andere delen van de tempel zijn gebouwd door de monniken zelf als deel van hun Dharmabeoefening. In zen immers neemt naast de zittende meditatie het dagelijks werk – bezigheden die anderen ten goede komen – een belangrijke plaats in. Daarbij dient opmerkzaamheid te worden gehandhaafd binnen het kader van de leefregels. Van de 45 monniken die hier nu wonen, is ruim de helft al meer dan vijftien jaar monnik en leraar of meester in de orde. De huidige abdis is eerw. Meian Elbert.

Throssel Hole Priory werd opgericht in 1972, tijdens een langdurig Dharmabezoek van meester Jiyu-Kennett aan Engeland, en heet inmiddels Throssel Hole Buddhist Abbey. In een uiterst eenvoudige accommodatie, met behulp van verscheidene van haar ingewijde Engelse of Amerikaanse volgelingen, werd begonnen met Zenprogramma’s voor leken en aspirant-monniken. Na 1982, toen vijf in Shasta Abbey opgeleide Engelse monniken zich er vestigden, veranderde de boerderij in een Zenklooster en breidde het programma zich uit. Nu biedt zelfgebouwde accommodatie comfortabel onderdak aan een gemeenschap die georganiseerd is in de geest en naar het voorbeeld van de regels van Dogen Zenji voor de Eihei-ji tempel. Abt van het klooster is de eerw. meester Daishin Morgan.

Bombardementen

Het verhaal van hoe bovenstaand erfgoed werd verworven begint misschien al toen de jonge Peggy Kennett bij kennissen voor het eerst een Boeddhabeeldje zag en daar diep van onder de indruk raakte. Onder de bombardementen op Zuid-Engeland in de Tweede Wereldoorlog verloor zij een aantal vrienden en kennissen en daardoor ging zij serieus nadenken over het waarom van leven, dood en wreedheid. Zij zocht haar heil in het volle geestelijk leven van de Kerk van Engeland, maar raakte daar ernstig gefrustreerd en nam uiteindelijk haar toevlucht tot het boeddhisme. In haar middelbareschooltijd en vroege studentenjaren zocht ze de leiding van een eminente Theravadamonnik, de eerw. Saddhatissa. Ze studeerde af in muziek aan het London Trinity College, haalde een graad aan de universiteit van Durham en werkte tien jaar als beroepsmusicus.

De lezingen van dr. D.T. Suzuki in Londen aan het einde van de jaren vijftig richtten haar blik op het Mahayana. In 1960 ging de zeer eerwaarde Keido Chisan Koho Zenji, hoofdabt van Sojo-ji, een van de twee grote opleidingstempels van Soto-Zen in Japan, op wereldreis ter bevordering van de vrede. Peggy Kennett, die toen al docente van de London Buddhist Society was, had in die functie de eer zijn publieke optreden in Engeland te organiseren en het verblijf te verzorgen. Zo kwam zij met hem in contact en hij nodigde haar uit naar Japan te komen om zijn persoonlijke discipel te worden. Dit aanbod accepteerde ze van ganser harte.

Op weg naar Japan deed ze Maleisië aan, waar ze was gevraagd enkele lezingen te geven en waar ze een muzikale prijs in ontvangst nam. Daar werd ze tot boeddhistisch monnik gewijd door de eerw. Seck Kim Seng, abt van de tempel Cheng Hoon Teng. Ook ontving ze de Leefregels van de Bodhisattva van drie zeer oude eerwaarden die voor die gelegenheid van het vasteland van China waren overgekomen. En ook al reisde zij na drie maanden door naar Japan, nu als de eerw. Tzu-yu (Japans: Jiyu), haar inwijdingsmeester bleef niet alleen met haar in contact tot zijn dood in 1980, maar heeft haar ook al die jaren financieel en anderszins gesteund.

Uiteindelijk erkende hij haar zelfs als meester in het Chinese boeddhisme van zijn school. In 1974 bracht hij een bezoek aan Shasta Abbey om met eigen ogen te kunnen waarnemen hoe de Dharma daar werd gepraktiseerd. Hij was bijzonder onder de indruk en liet na z’n dood zijn ceremoniële monnikskleed (kesa) en zijn formele pij aan de eerw. Jiyu na, een eer die een vrouwelijke boeddhistische meester zelden ten deel valt.

In Japan werd ze hartelijk binnengehaald door Koho Zenji. Niet iedereen was zo vriendelijk. Ze was ook de enige vrouwelijke noviet in het klooster en de positie van de vrouw was toen nog niet erg beïnvloed door de emancipatiebeweging. De omstandigheden waren buitengewoon moeilijk, maar ze droegen er waarschijnlijk toe bij dat ze snel haar toevlucht zocht en vond in de stille plaats voorbij de tegenstellingen in haar eigen hart, en kensho ervoer.

Kensho is een diepe spirituele ervaring waarbij de ware aard van het bestaan wordt ingezien. Hierna valt de aanlokkelijkheid van zintuiglijke bevrediging weg en wordt de gehechtheid aan ideeën, theorieën en opvattingen gebroken. Haar toegewijde voortgaande training, gebaseerd in deze kensho, bracht Koho Zenji ertoe haar de Transmissie te verlenen en haar tot zijn officiële Dharma-erfgenaam te benoemen. Eerw. Jiyu volbracht daarna nog alle ceremoniën en examens, die haar priesterschap en meesterschap zouden bevestigen. Daarna stuurde Koho Zenji haar naar een oude zenmeester die bekend stond als de grootste levende heilige van Soto-Zen. Deze zenmeester, Sawaki Kodo, toen al ziek en bedlegerig, ontving haar in zijn tempel bij Kyoto. Hij erkende haar diepe spirituele inzicht en kensho-ervaring. Deze erkenning van een buitenlandse vrouw als volledig priester en Dharmameester in Soto-Zen is zeer uitzonderlijk. Het kwam ook de vrouwelijke geestelijkheid binnen Japan ten goede, want na haar vertrek werd vrouwen het recht gegeven te gradueren, net als de mannelijke monniken, als abdis te functioneren en gekleurde kesa’s te dragen.

In de jaren zestig, toen eerw. Kennett op verzoek van Koho Zenji de afdeling buitenlandse gasten beheerde, kwamen er veel buitenlanders, vooral Amerikanen, naar Soji-ji evenals naar Umpuku-ji, een kleine plattelandstempel. Koho Zenji hoopte dat zij naar het westen zou terugkeren om de Dharma te verspreiden en zijn transmissielijn door te geven.

Vanaf het begin heeft hij haar daarom aangespoord en gesteund om zowel alle dagelijks gebruikte soetra’s en ceremoniën te vertalen als de teksten die periodiek of in de loop van een kloostertraining nodig waren. Dit werk deed ze meestal samen met één van haar Japanse begeleiders. Hij dacht dat de fundamentele Waarheid, als deze naar het Westen zou worden overgebracht, haar eigen plaats in de cultuur zou vinden, net zoals het Chinese Ch’an indertijd Japans Zen geworden was.

Dagboek

Na Koho Zenji’s dood eind 1967 verbleef ze in Umpuku-ji, waar ze als hoofdpriester de plaatselijke gemeenschap diende en westerse beoefenaars van zen begeleidde. Eind 1969 vertrok ze voor een serie lezingen naar de Verenigde Staten. De enthousiaste ondersteuning van Amerikaanse discipelen en vrienden maakten het mogelijk daar al snel een tempel te openen, Shasta Abbey. Zij keerde niet naar Japan terug.

In Shasta Abbey maakte zij het dagboek van haar training en leven in Japan geschikt voor uitgave, gepubliceerd als The Wild White Goose, en een aantal vertalingen van de grote Japanse zenmeesters van de Soto-traditie, met een uitleg van de praktijk van Soto-zen, verschenen als Selling Water by the River (in een volgende uitgave omgedoopt in Zen is Eternal Life). Deze boeken hadden destijds grote invloed op veel mensen. Later beschreef ze haar geestelijke ervaring en verdiepend inzicht gedurende een periode van ernstige ziekte in How to Grow a Lotusblossom – or how a zen-buddhist prepares for death.

De trainingsjaren in Japan eisten een hoge tol van haar gezondheid, die sindsdien altijd zwak bleef. Dit is een van de redenen waarom ze na 1973 weinig meer heeft gereisd. Het kwam haar ingewijde discipelen ten goede, want het schonk haar de gelegenheid om intensief leiding te geven op alle niveaus van oefening. Vooral haar lezingen over Shobogenzo van Dogen gaven een grondige verduidelijking van diens leer.

Ze was een uiterst praktische vrouw met een ver vooruitziende blik, cultureel gezien een echte Engelse van haar tijd. Ze hield van een praatje en ook van een goeie grap en kon van de kleine aangenaamheden van het leven enorm genieten. Naast een indrukwekkende zekerheid toonde ze een uiterst vriendelijk hart. Ze hield van mensen om zich heen, iets dat velen niet verwachten van een zenmeester. Ze demonstreerde duidelijk het laatste plaatje van de serie ‘Het hoeden van de Os’. – terug op de marktplaats met zegenende handen.

In Nederland is ze nooit geweest; toch heeft ze twee Nederlanders tot monnik gewijd en zijn er twee anderen ingetreden bij haar oudere discipelen. Het praktiseren in het kader van de OBC heeft een aantal bijzonderheden die voor bepaalde mensen belangrijk zijn: de gelijkheid van mannen en vrouwen wat betreft inwijding, leefregels en functie, de integriteit en eerlijkheid die de eerw. meester Jiyu-Kennett van haar leerlingen eiste, en de enorme diepgang van de training, niet alleen van de monniken, maar ook van de toegewijde lekensangha.