Sekito Kisen

Sekito Kisen

De Sandōkai is een geschrift dat in de kloosters en tempels van de Soto-Zentraditie in China en Japan, en nu ook in het Westen, regelmatig wordt gezongen. Het is geschreven door de Chinese Zenmeester Shih-t’ou Hsi-Ch’ien die leefde van 700 tot 790. In het Japans wordt deze zenmeester Sekitō Kisen genoemd.

De titel Sandōkai betekent ‘Het in elkaar opgaan van eenheid en verscheidenheid’. Zenmeester Sekitō schreef deze tekst om een aantal boeddhistische concepten uit te leggen aan een Chinees publiek dat toentertijd meer bekend was met het Taoïstisch dan met het boeddhisme. Het Taoïsme is, net zoals het boeddhisme, een religie zonder Godsconcept. Het centrale concept in het Taoïsme is de ‘Tao’, dat vertaald kan worden met ‘De Weg’ of ‘het Universele Principe’ of ‘Basisbeginsel’. Het is de hemelse Weg waarin alles zich ontwikkelt en staande houdt via de werking van twee aspecten die én tegengesteld zijn én complementair: Yin en Yang. Yin betekent duister en Yang licht. De Tao wordt gevolgd als deze twee tegenstellingen in evenwicht zijn. Deze twee aspecten werken in en door alles, van de dingen zelf tot aan de relaties die mensen met elkaar hebben. Wanneer Yin en Yang uit evenwicht raken ontstaat er wanorde in het land, raken relaties ontwricht en ontstaat er ziekte in het lichaam, e.d. In het Taoïsme wordt door Taoïstische meesters gestreefd naar dit perfecte evenwicht waardoor uiteindelijke onsterfelijkheid verkregen kan worden.

yinyangHet beeld van Yin en Yang als tegengestelde en complementaire aspecten die één geheel vormen is het meest bekend als een cirkel (de Tao; het geheel of eenheid) waarin de rechterhelft wit is en de linker helft zwart met in het witte gedeelte een kleine zwarte cirkel en in het zwarte gedeelte een kleine witte cirkel. Om het dynamisch aspect van dit evenwicht aan te geven slingert de grens tussen wit en zwart alsof het een verticale golf is.

Het Taoïstische China was een goede voedingsbodem waarin het boeddhisme zich kon vestigen omdat een aantal Taoïstische begrippen overeenkomsten vertoonden met die in het boeddhisme. De Tao kan gezien worden als het boeddhistisch Pad dat we gaan wanneer onze boeddhistische oefening en inzicht tot uitdrukking worden gebracht in ons dagelijks leven. Er ontstaat dan de natuurlijke harmonie tussen onszelf en de wereld waarin we leven. Lijden en onvrede komen tot een einde. De complementaire en tegengestelde aspecten van licht en duister in het Taoïsme zijn in het boeddhisme de wereld van vormen en de leegte die samen de ene werkelijkheid vormen die we met onze zintuigen ervaren.

Zoals Sekitō schrijft: ‘Licht (vorm) en duisternis (leegte) werken als een paar, net als de twee voeten bij het lopen.’

Sekitō gebruik dit beeld van duister en licht ook om het belangrijke boeddhistische concept van onderlinge afhankelijkheid te verduidelijken. Dingen komen samen en vormen nieuwe bestaansvormen. Het een brengt het andere voort. Dus er is een contante beweging, een stroom, gaande waarin steeds weer nieuwe vormen ontstaan.
Ook wij zijn ieder één van die vormen die tijdelijk bestaan en weer nieuwe vormen voorbrengen. Niets in ons lichaam en onze geest en buiten onszelf blijft hetzelfde. Dus niets heeft een blijvende ‘kern’ of ziel dat buiten deze stroom van ontwikkeling staat. Daarmee zijn wij volledig deel van het geheel terwijl wij onze eigen plek in het geheel hebben.
Sekitō spreekt over de bron van de geest die gekend kan worden in het licht van gewaarzijn. Deze bron is de bron ook van alle verschijningsvormen. Die bron staat niet los van alle verschijningsvormen die eruit voortkomen zoals licht en donker niet los van elkaar staan. Alleen verschijningsvormen kennen zonder weet te hebben van de bron is slechts de helft van de eenheid van bestaan kennen. De boeddhistische oefening brengt ons tot een dieper inzicht van de bron dat continu leven geeft aan ons bestaan.

De tekst:

SANDŌKAI – EENHEID EN VERSCHEIDENHEID GAAN IN ELKAAR OP

Het wezen van Indiaas grote Wijze
is vertrouwelijk van mens tot mens overgedragen van west naar oost.
Mensen zijn scherp en traag van begrip,
maar de Weg kent geen onderscheid tussen meesters uit het Noorden of het Zuiden.

De bron van de geest kan gekend worden in het licht van gewaarzijn,
en verspreidt zich onherkenbaar in alle verschijningsvormen.
Vasthouden aan wat voorbij gaat is dwaling,
maar in de leegte van de dingen opgaan is nog geen verlichting.

Alle waarneembare dingen zijn wederzijds afhankelijk en onderling verweven,
en staan toch in unieke eigenheid op zichzelf.
In samenkomen transformeren ze,
anders behouden ze ieder hun eigen plek.

Zodra er vorm verschijnt – heb je variatie in beeld en materiaal;
en is er geluid – dan is het fijn of onplezierig.
‘Duisternis’ is een woord voor waar verschillen er niet toe doen,
in het licht van gewaarzijn kan helder worden onderscheiden.

De vier elementen van lichamelijk bestaan vallen steeds uiteen en komen voortdurend samen,
net als een kind terugkeert naar zijn moeder.
Vuur verwarmt, wind beweegt, water maakt nat en aarde klontert samen.
Ogen zien vormen, oren horen geluiden, de neus ruikt geuren en de tong
onderscheidt zure en zoute smaak.

Aldus verschijnt elk en iedere ervaring,
net zoals bladeren ontspruiten – afhankelijk van de wortels.
Leegte en vorm delen dezelfde essentie,
‘spiritueel’ en ‘alledaags’, ‒ alles spreekt de Dharma.

In licht is er duisternis,
maar zie de duisternis niet als strijdig aan het licht.
In duisternis is er licht,
maar beschouw ook het licht niet als strijdig aan de duisternis.
Licht en duisternis werken als een paar,
net als de twee voeten bij het lopen.

Alle dingen hebben van zichzelf grote waarde,
en verhouden zich tot al het andere in hun functie en plaats.
Ze gaan samen met de bron,
zoals een deksel op een doos past.

De bron stemt overeen met alle verschijningsvormen,
zoals twee pijlen elkaar treffen in de lucht.
Wanneer je deze woorden hoort, begrijp waar naar ze wijzen,
en maak ze niet tot eigen maatstaf.

Als je de Weg niet kent door direct zintuiglijk ervaren,
hoe kan je dan weten waar het pad ligt om te lopen?
Voortgaand op de Weg laat ‘ver’ en ‘dichtbij’ vervagen,
verwarring creëert de bergen en rivieren die je weg versperren.

Dit is mijn advies aan wie zoekt naar diepe waarheid:
verspil geen tijd!

Toelichting op de tekst:

Sandōkai betekent ‘eenheid en verscheidenheid gaan in elkaar op’ of ‘eenheid en verscheidenheid complementeren elkaar’; ze maken beiden één geheel dat twee kanten heeft, als een munt met twee zijden. De ene kan niet zijn zonder dat de andere kant bestaat.

Het wezen van Indiaas grote Wijze is vertrouwelijk van mens tot mens overgedragen van west naar oost.

Indiaas grote wijze is de Boeddha. Zijn wezen is vertrouwelijk overgedragen van mens tot mens van west naar oost want dat is de richting waarin het boeddhisme zich verspreidde alhoewel er aanwijzingen zijn dat Asoka, die twee eeuwen na de Boeddha een groot deel van de Indiase vorstendommen verenigde in één rijk, afgezanten naar het Westen stuurde, waarschijnlijk zelfs naar Griekenland, om het boeddhisme daar bekend te maken. Maar goed, hier spreekt een Chinese zenmeester en voor hem kwam het boeddhisme uit het Westen.

Wat is het wezen van de Boeddha? Wat maakt iemand tot een Boeddha? In het Mahayana boeddhisme is dat het kennen, of als je wilt, het herkennen van je ware natuur, de Boeddhanatuur. Je ware natuur is vormloos; het is de stilte zelf, leegte, openheid, vrijheid. Je kan ook zeggen: open kennend gewaarzijn. Het zijn allemaal woorden die dat, wat zich niet in woorden en concepten laat vatten, proberen te omschrijven.

Elk mens heeft deze Boeddhanatuur, of zoals zenmeester Dogen zegt: “Elk mens is Boeddhanatuur” want alleen door open kennend gewaarzijn ervaren we onszelf als lichaam en geest en het is het kennen van deze natuur dat ons een Boeddha in deze wereld maakt.

Dit kennen van de Boeddhanatuur is het wezen van Boeddha. En het wordt vertrouwelijk overgedragen van mens tot mens. Wat wordt hier bedoeld?

Er is een verhaal waarin de Boeddha een lezing zou geven aan een grote groep monniken. Maar in plaats van woorden te spreken, hield de Boeddha een bloem omhoog. De monnik Makakashyo begreep volledig wat de Boeddha bedoelde en glimlachte en de Boeddha glimlachte terug. Dit was het woordeloos doorgeven van het wezen van Boeddha. Dit doorgeven is het wederzijds herkennen en erkennen van zuiver open kennend gewaarzijn. Dus er wordt niet ‘iets’ doorgegeven. Het is het samen zijn in de stilte, in open kennend gewaarzijn, en weten dat jij en de ander volledig één zijn. Dit kan alleen maar gebeuren tussen twee mensen die elke hechting aan, en elke identificatie met, welke objectieve kenmerken ook die in het open kennend gewaarzijn verschijnen, loslaten.

Meesters uit het Noorden of het Zuiden

Mensen zijn scherp en traag van begrip, maar de Weg kent geen onderscheid tussen meesters uit het Noorden of het Zuiden.

We onderscheiden hen die scherp of traag zijn van begrip, die intelligent zijn of niet, die wel of niet de Dharma mooi in woorden kunnen uitdrukken. Maar gezien vanuit de Weg, vanuit de Boeddhanatuur, zijn alle mensen gelijk want zij allen zijn Boeddhanatuur. En Boeddhanatuur kent Boeddhanatuur; waarheid wordt herkent door waarheid. Als onwetendheid onze ware natuur was, hadden we geen mogelijkheid waarheid te herkennen en was er geen weg naar bevrijding.

….meesters uit het Noorden of het Zuiden.’

Sekitō was een leerling van de Chinese Zenmeester Dajian Hui-neng (Daikan Enō). Hui-neng kwam uit het Zuiden van China dat door de Noordelingen als enigzins barbaars gebied werd beschouwd. Het centrum van de macht lag in Beijing in het Noorden. Hui-neng wilde monnik worden en reisde af naar het Noorden, naar het klooster van de vijfde patriarch van de Zentraditie, Shih Hung-jen (Daiman Kōnin), die hem begroette en hem vroeg: ‘Hoe kan jij, een gewone burger uit het Zuiden zonder opleiding, ooit hopen het Boeddhaschap te bereiken?’

Hui-neng antwoordde: ‘Hoewel mensen worden onderscheiden in noorderlingen en zuiderlingen, bestaat in de Boeddhanatuur Noord noch Zuid. In fysieke verschijning zien barbaren en monniken er misschien verschillend uit, maar wat voor verschil is er in hun Boeddhanatuur?’ Als reactie daarop stuurde de patriarch hem naar de korenschuur waar hij rijst moest pellen en hout splijten. Hij heeft daar meer dan zes maanden gewerkt.

Nu, in antwoord op een verzoek van de patriarch, die het inzicht van zijn monniken wilde testen om zo te kunnen bepalen wie de na zijn dood de zesde patriarch zou kunnen worden, schreef de hoofdmonnik Shen-hsiu op een gangmuur (dit, omdat hij te bescheiden en te onzeker was zijn inzicht direct aan de patriarch te geven) het volgende vers:

Ons lichaam is de bodhi-boom,
En onze geest een omlijste spiegel .
Veeg hem te allen tijde zachtjes schoon,
Zodat hij geen stof zal dragen.

Toen Hui-neng dit vers hoorde wist hij dat het geen volledig inzicht verwoordde. Dus vroeg hij iemand zijn vers op de muur te schrijven:

Bodhi staat vrij van elke boom
En de spiegel vrij van elke lijst.
Aangezien alles leegte is
waarop kan het stof dan neerdwarrelen.

Toen de patriarch dit las, besefte hij dat de ongeletterde lekenbroeder Hui-neng ‘de deur van verlichting was binnengegaan’ en waardig was hem op te volgen.

Hui-neng keerde toen terug naar het Zuiden waar hij de zesde patriarch werd. Zijn lijn wordt de school van de plotselinge verlichting genoemd omdat hij tot inzicht was gekomen niet via de zogenaamde langzame weg van de dagelijkse beoefening van het loslaten van alle hechting aan dat wat op ‘de heldere spiegel’ (de geest) landt, maar via een direct ‘zien/begrijpen’.
De hoofdmonnik Shen-hsiu werd uiteindelijk ook patriarch in het Noorden en zijn lijn wordt dan ook de school van de geleidelijke verlichting genoemd.

Sekitō maakt echter duidelijk dat deze tegenstellingen geen tegenstellingen zijn. Plotselinge en geleidelijke verlichting zijn beiden verlichting en geworteld in dezelfde Boeddhanatuur, in open kennend gewaarzijn. En dit open kennend gewaarzijn kent geen onderscheid, het eenvoudigweg is. Onze beoefening en de benodigde tijd zal van persoon tot persoon verschillen maar de verlichting is niet verschillend.

De Bron

De bron van de geest kan gekend worden in het licht van gewaarzijn, en verspreidt zich onherkenbaar in alle verschijningsvormen.

Dit is een belangrijke zin. De Bron van de geest, met zijn gedachten, herinneringen, fantasieën, dagdromen, ed., kan gekend worden in het licht van gewaarzijn. De bron is open kennen gewaarzijn en het kan gekend worden door het open kennend gewaarzijn zelf.

De bron is niet iets mysterieus of esoterisch waarin we alleen maar kunnen geloven. Het kan gekend worden, door jou, door mij, door iedereen omdat iedereen de Bron is. Alle verschijningsvormen zijn de Bron en ze hebben iedereen hun eigen specifieke en unieke vorm.

In het Zenboeddhisme wordt elke verschijningsvorm een dharmadeur genoemd. Een deur naar de Bron, naar dat wat vormloos en buiten de tijd staat. Elke verschijningsvorm spreekt dan ook, eenvoudigweg door zijn bestaan, de Dharma, de woordeloze woorden van stilte, van tijd- en vormloosheid, van puur zijn. Schijn met je aandacht je licht op elke zintuiglijke ervaring en hoor de stilte, de tijdloosheid, daarin.

Vasthouden aan wat voorbij gaat is dwaling, maar in de leegte van de dingen opgaan is nog geen verlichting.’

Vasthouden aan wat tijdelijk is, is de leegte van de dingen ontgaan en bindt je aan het tijdelijke. Maar er is ook de andere zijde; die van opgaan in de leegte van de dingen, in de stilte, in de tijdloosheid, en bijvoorbeeld de geluiden die je hoort terwijl je mediteert, de lichamelijke ongemakken, het drukke hoofd te ervaren als hinderlijk, als belemmering, als tegengesteld aan het zijn in leegte. Dit is nog geen verlichting want er is nog een tegenstelling.

En zoals zenmeester Dogen zegt in zijn ‘Aanwijzingen bij het mediteren’: “Waar tegenstellingen verschijnen is de Geest van Boeddha uit het oog verloren”.

Onderlinge afhankelijkheid

Alle dingen die we kunnen waarnemen (en dat is ook ons lichaam) zijn wederzijds afhankelijk en onderling verweven en staan toch in unieke eigenheid op zichzelf.

Alles hangt met elkaar samen. Elk ding is afhankelijk van andere dingen voor zijn ontstaan en bestaan. Zo kan een plant alleen maar groeien als er een zaadje aanwezig is, en grond, water, lucht, zonneschijn. Wij kunnen niet bestaan zonder planten als voedsel. Wij kunnen niet bestaan zonder het bestaan van anderen.

Er is onderlinge afhankelijkheid op welk niveau je ook kijk. Een lichamelijk orgaan kan niet functioneren zonder dat de andere organen ook goed functioneren en daarvoor moet weer aan vele voorwaarden worden voldaan. Zuurstof, water, voedsel, beweging, enz. Dan kunnen de organen samen een gezond werkend organisme vormen. Elk orgaan staat in unieke eigenheid op zichzelf; de lever is de lever, het hart het hart. Alleen door de unieke eigenheid van ieder orgaan kan het levend organisme bestaan.

Op een nog lager niveau bestaat het orgaan uit cellen die ieder afhankelijk zijn van een goed functioneren van de andere cellen. Weer moeten aan allerlei voorwaarden worden voldaan om dit zo te laten zijn. En ook hier staat elke cel in unieke eigenheid op zichzelf.

Op een hoger niveau vormen individuen een volk dat je kan zien als een goed werkend organisme, als tenminste de individuen goed functioneren. En volkeren samen vormen een wereldbevolking. En in dat geheel staat elk mens in unieke eigenheid op zichzelf.

In unieke eigenheid op zichzelf staan en afhankelijk en verweven zijn met al het andere is geen tegenstelling; het één kan alleen maar zijn door het zijn van het andere. Ons individueel leven heeft daarom altijd zin en betekenis, juist door die onderlinge verwevenheid dat het heeft met al het andere.

Gevoelens van eenzaamheid of zinloosheid zijn dan ook niet de reflectie van een ‘niet-verbonden’ zijn – want je kan in werkelijkheid niet niet-verbonden zijn – maar van een gebrek aan juist perspectief. Hoe meer je gaat zien dat jouw bestaan altijd in relatie staat tot al het andere, hoe meer gevoelens van eenzaamheid en zinloosheid langzaamaan zullen verdwijnen.
En zo is ook het buitensluiten, het discrimineren of het haten van anderen een uiting van gebrek aan het juiste inzicht dat ons bestaan volledig verweven is met het bestaan van anderen. En dit geldt ook voor het slecht omgaan met dieren en milieu. Ons gedrag laat zien hoe diep ons inzicht is.

In samenkomen transformeren ze, anders behouden ze ieder hun eigen plek.’

Wanneer de dingen samenkomen, ontstaat er betrokkenheid en daarin transformeren ze. Soms letterlijk, soms figuurlijk. Zo kunnen bijvoorbeeld twee mensen die elkaar ontmoeten, verliefd op elkaar worden. Ze gaan samen leven en vormen een stel. In die relatie van betrokkenheid transformeren ze. Ze zullen zich wat anders gaan ontwikkelen dan wanneer ze ieder op zichzelf zouden leven. Misschien krijgen ze kinderen. Dan zijn ze naast partner ook ouder en ook dat doet hen weer anders ontwikkelen. En ze hebben ieder hun unieke eigenheid. Twee zijn één en één is twee.

Zodra er vorm verschijnt – heb je variatie in beeld en materiaal; en is er geluid – dan is het fijn of onplezierig.’

Elke vorm varieert in hoe het uitziet en waaruit het gemaakt is. Die variatie is oneindig. We vinden het één mooi en het ander lelijk. Net als wanneer we geluid of muziek horen; het is fijn of onplezierig. De geest maakt onderscheid want dat is de uitdrukking van de unieke eigenheid van de geest.

Licht en duisternis

‘Duisternis’ is een woord voor waar verschillen er niet toe doen, in het licht van gewaarzijn kan helder worden onderscheiden.’

Duisternis is een woord voor het ‘zien’ van het grotere perspectief, het grotere geheel, en niet de dingen in hun unieke eigenheid, de verschillen. In het licht van gewaarzijn zien we de dingen in hun unieke eigenheid maar niet het grotere perspectief. Beiden, het grotere perspectief, het duister, en de specifieke elementen die dat perspectief vormen, het licht, zijn altijd beiden aanwezig en vormen een geheel, zoals bos en bomen. Maar onze geest kan alleen maar het een óf het andere zien. Sekitō roept ons op om beiden te ‘zien’. In ons persoonlijk leven is dat het ‘zien’ van onze eigenheid én het ‘zien’ van onze diepe verbondenheid en betrokkenheid met het leven van anderen, op direct en indirect niveau. Dit ‘zien’ van groot en klein perspectief, van verbondenheid en unieke eigenheid, vindt plaats wanneer we volledig terugkomen naar ‘zijn’, naar diepe acceptatie en stilte. En dit ‘zijn’ of ‘zien’ plaatst ons leven direct in het alomvattend geheel, de cirkel.

Alles heeft waarde en betekenis, zelfs de pijn en verdriet, het geluk en vreugde, het streven en verlangen, en de teleurstelling die we soms ervaren. Als we deze dingen kunnen ervaren voor wat ze zijn, de kenmerken van unieke eigenheid, zonder het grotere perspectief op ons ‘zijn’ als deel van het grotere ‘zijn’ te verliezen, m.a.w. zonder de stilte te verliezen, ontdekken we dat ons ‘zijn’ altijd elk niveau, elk perspectief in zich draagt. Dit is in Zen het loslaten van lijden want lijden is in deze analyse het vasthouden aan een beperkt perspectief.

De vier elementen

‘De vier elementen van al het bestaan vallen steeds uiteen en komen voortdurend samen, net als een kind terugkeert naar zijn moeder.’

De vier elementen zijn de kleinste bouwstenen die samen het universum vormen. In het oude India werden er vijf onderscheiden: lucht, water, vuur, wind en ether. In onze tijd spreken we van bosons, elementen die niet verder meer zijn op te delen. Laatst heeft men in het Cern-instituut in Zwitserland er nog eentje gevonden, de Higgs-boson. Deze deeltjes ontstaan spontaan vanuit de Leegte, vanuit het tijdloze vormloze. Ze zijn tijdens hun extreem korte bestaansduur, net zoals alle andere kwantumdeeltjes, overal gelijktijdig aanwezig en lossen vervolgens weer op in de Leegte. Dit overal gelijktijdig aanwezig zijn is niet met de geest te bevatten. Hoe kan een deeltje op meerdere plaatsen tegelijkertijd zijn? Toch is dit wat de wetenschap ons verteld.

Ook de vier elementen zijn overal gelijktijdig aanwezig en komen voortdurend samen waarmee ze een oneindige hoeveelheid vormen in het universum doen ontstaan. En ze vallen ook steeds weer uiteen. Dus de ‘Leegte’, of ‘Duisternis’ is de staat van oneindig potentieel, dat zich steeds weer in een nieuwe totaalvorm manifesteert. Dit samenkomen is de unieke eigenheid van de elementen en is als natuurlijk als het terugkeren van een klein kind naar zijn moeder.

‘Vuur verwarmt, wind beweegt, water maakt nat en aarde klontert samen. Ogen zien vormen, oren horen geluiden, de neus ruikt geuren en de tong onderscheidt zure en zoute smaak.’

De vier elementen creëren een oneindige verscheidenheid aan vormen, geluiden, geuren, smaken enz. die wij – ook gevormd door de vier elementen – met onze zintuigen, vervolgens ervaren.

‘Aldus verschijnt elk en iedere ervaring, net zoals bladeren ontspruiten – afhankelijk van de wortels.’

Elk en iedere ervaring of gewaarwording, ook een lichamelijke gewaarwording, en je emoties, je gedachten, je zorgen, je verdriet of vreugde, zijn als bladeren die ontspruiten, afhankelijk van de wortels. Bladeren groeien aan bomen en bomen hebben hun wortels in de grond, in het ‘duister’. Jij bent die boom – zoals het gedicht van Shen-hsiu zegt: “Ons lichaam is de bodhi-boom”. En je wortels groeien in, en krijgen hun voedsel uit de grond (‘het lege veld’ van zenmeester Hongzhi1), het duister, de Bron. Zonder grond geen boom. Zonder Leegte, geen gewaarwording en dus geen besef van ‘zijn’. Dus leegte en ‘zijn, duisternis en licht zijn een twee-eenheid. De één doet het andere ontstaan.

Daarom herhaal ik nogmaals dat alles waarde heeft, alles heeft betekenis. Zelfs de pijn en verdriet die we soms ervaren, het geluk en vreugde, het streven en verlangen, de teleurstelling. Het zijn de bladeren op de boom van verlichting. Ze zijn er omdat de Bron, de volle Leegte, is. De bladeren zijn de Bron zichtbaar in de wereld van vorm.

Leegte en vorm delen dezelfde essentie, ‘spiritueel’ en ‘alledaags’, ‒ alles spreekt de Dharma.

Wij mensen maken onderscheid, zoals tussen het spirituele en het alledaagse. De één willen we graag, het andere minder. Maar alles spreekt in zijn ‘zijn’ over het grotere perspectief waarin alles én zijn unieke eigenheid heeft én een is met al het andere en de volledige uitdrukking is van de Bron, de leegte, de liefde.

Geen dualisme

‘In licht is er duisternis, maar zie de duisternis niet als strijdig aan het licht.
In duisternis is er licht, maar beschouw ook het licht niet als strijdig aan de duisternis.
Licht en duisternis werken als een paar, net als de twee voeten bij het lopen.’

Hier vat Sekitō het voorafgaande nog eens samen aan de hand van het Tao-symbool en benadrukt waarom we licht en duister, vorm en leegte, niet als tegengesteld aan elkaar moeten zien. Waarom legt hij deze nadruk? Religie is altijd gericht op een grotere werkelijkheid, een die we niet direct kunnen waarnemen. Dit leidt ertoe dat de meesten religies zich dualistisch ontwikkelen. Dit aardse bestaan wordt als minder beschouwd, het hemelse bestaan als wenselijk. Zelfs het oude boeddhisme heeft elementen hiervan. Nirvana was het doel en het bereiken ervan betekende in het Oude India dat je niet meer herboren zou worden in dit aardse samsara.

Het Chinese Ch’an of Zenboeddhisme is wat dit betreft een nieuwe ontwikkeling geweest binnen het boeddhisme door dit subtiel dualisme volledig los te laten en te benadrukken dat alles de uitdrukking is van het Ene en het Ene zich volledig manifesteert in alles. Samsara is nirvana. Er is niets meer dan dit moment. Dit moment (welke vorm het ook neemt) is alledaags én de uitdrukking van het allerhoogste. Werkelijke liefde wordt nergens ander gevonden dan hier, nu. En het vergt jaren van oefening om het te ‘zien.

Ook de christelijke mystici hebben hiernaar gewezen. Zo schrijft Meister Eckhart: “Waar ziet men God? Waar geen gisteren is, noch een morgen, hier en nu, daar ziet men God.”

Door de Sandōkai kunnen we ook begrijpen waarom zenmeditatie het in stilte zitten is met wat is, ‘zijn’ met het hier en nu. De gewaarwording die ik nu heb, hoe alledaags ook, is niet alleen het blad, het is tegelijkertijd de Bron (het tijdloze, grenzeloze, de liefde) die, zoals de Sandōkai ons voorhoudt, gekend kan worden in het licht van gewaarzijn. Dit is waar onze beoefening over gaat.

‘Alle dingen hebben van zichzelf grote waarde, en verhouden zich tot al het andere in hun functie en plaats.’

We hebben al gezien dat alle dingen én in unieke eigenheid op zichzelf staan én onderling verweven zijn met al het andere op de vele niveaus van bestaan, van zeer klein tot zeer groot.

‘Ze gaan samen met de bron, zoals een deksel op een doos past.’

Eerder is in de Sandōkai de Bron gedefinieerd als open kennend gewaarzijn. En hier wordt gezegd dat alle dingen die ervaren en gekend kunnen worden, samen gaan en één zijn met open kennend gewaarzijn zoals deksel en doos een geheel vormen. En dan volgt een belangrijke zin:

De bron stemt overeen met alle verschijningsvormen, zoals twee pijlen elkaar treffen in de lucht.’

Wat hier gezegd wordt is dat open kennend gewaarzijn niet groter of kleiner is dan wat ervaren wordt maar er én volledig mee overeenkomt én net zo snel zich manifesteert als het waargenomene. Zoals twee pijlpunten elkaar treffen in grote snelheid. Sekitō probeer hier duidelijk te maken dat in onze ervaring Bron en verschijningsvormen altijd één en ongedeeld zijn.

‘Wanneer je deze woorden hoort, begrijp waar naar ze wijzen, en maak ze niet tot eigen maatstaf.’

Zoals al eerder gezegd ‘spreekt’ elke verschijningsvorm eenvoudigweg door zijn bestaan, de Dharma, de woordeloze woorden van stilte, van tijd- en vormloosheid, van puur zijn. Schijn met je aandacht je licht op elke zintuiglijke ervaring en hoor de stilte, de tijdloosheid, daarin.

… en maak ze niet tot eigen maatstaf.’

Hoe belangrijk deze woorden zijn! Maak woorden, gedachten, je verhalen, je meningen e.d. niet tot een maatstaf waarmee je jezelf, de ander en de wereld beoordeelt. Woorden zijn bladeren. Ze komen voort uit de Bron, de donkere aarde waarin de wortels van de boom groeien, en ze keren terug naar de aarde. Ze zijn gemaakt uit de aarde en in die zin zijn ze aarde. En ze zijn nooit een maatstaf voor diezelfde aarde.

Onze zintuigen

‘Als je de Weg niet kent door direct zintuiglijk ervaren, hoe kan je dan weten waar het pad ligt om te lopen?’

We kunnen de dingen, en daarmee ook de Bron, alleen maar ervaren door onze zintuigen. Daarom is boeddhisme het Pad van de Middenweg. We schuwen onze zintuigen niet noch laten we ons misleiden door de zintuigen door ons volledig over te geven aan zintuiglijke ervaringen. En de nadruk ligt hier op het woordje ‘direct’. Het is direct zintuiglijk ervaren. Direct horen, zien, voelen, zelfs gedachten ervaren zonder de tussenkomst van een commentator. Stil zijn met wat is laat je beseffen waar het pad ligt om te lopen. Wanneer onze geest druk bezig is het juiste pad te vinden, raken we steeds verstrikt in allerlei afwegingen waarvan we de uitkomst zelden zeker weten. Pas wanneer we stil durven te zijn, toont zich de volgende stap die we kunnen nemen. En het pad is altijd nooit meer dan de eerstvolgende stap.

‘Voortgaand op de Weg laat ‘ver’ en ‘dichtbij’ vervagen, verwarring creëert de bergen en rivieren die je weg versperren.’

Steeds weer de eerstvolgende stap nemen doet je beseffen dat er nooit meer is dan dat. En als jij en de Bron’- open kennend gewaarzijn – niet twee zijn, en het gaan op het pad het tot inzicht komen van die eenheid is, waar dan is in dit alles sprake van een doel in tijd of afstand? En dus ook geen ‘ver’ of ‘dichtbij’. Maar laat je verwarren door je dualistische denkbeelden en de weg die je leven neemt, lijkt te gaan over bergen en door rivieren en je lijkt je een enorme inspanning te moeten getroosten om je ‘doel’ te bereiken.

‘Dit is mijn advies aan wie zoekt naar diepe waarheid: verspil geen tijd!’

*     *     *     *     *

1) Vruchtbare leegte; De stille verlichting van zenmeester Hongzhi. Taigen Dan Leighton. 2002. Altamira-Becht.