Eerw. Hugh Een artikel van eerw. meester Hugh Gould, een senior monnik van Throssel Hole Buddhist Abbey, een klooster van de Orde in Noord-Engeland.


Allereerst volgt hier de tekst van de Soetra van Grote Wijsheid, zoals die in de tempels van de Orde wordt gezongen:

Toen de heilige Kanzeon één was met diepste wijsheid van het hart, boven dualistisch denken uit, zag de grote Bodhisattva duidelijk in dat de vijf skandha’s, zoals die zijn, in hun eigenheid, leeg zijn, ongekleurd en klaar.
O Shariputra, vorm is niet anders dan leegte, leeg is alle vorm, er is dus niets hier buitenom.
Want wat vorm is, is leegte en wat leegte is, is vorm.
Zo is het ook met elke gewaarwording, gedachte, wilsactiviteit en bewustzijn.
O Shariputra, hier zijn alle dingen leeg, want ze worden niet geboren noch sterven ze volkomen.
Ze zijn onbesmet noch zijn ze smetteloos, ze nemen toe noch nemen af.
O Shariputra, in deze klaarte bestaat geen vorm, gewaarwording, gedachte, wilsactiviteit en geen bewustzijn.
Geen oog, oor, neus, tong, lichaam, geest; geen vorm, geluid, reuk, smaak, tast en geen mentale verschijningsvormen.
Geen zintuigelijk waarnemingsveld, geen bewustzijnssfeer; geen weten en geen spoor van onwetendheid.
Tot we aankomen waar ouderdom en dood niet meer bestaan, en evenmin het eind van ouderdom en dood.
Want hier is er geen lijden, noch is er opeenhoping, noch tenietdoening, noch een Achtvoudig Pad, geen inzicht en geen verworvenheid.
De geest van de Bodhisattva die waarlijk één is met grote wijsheid van het hart, kent geen belemmeringen en daarom ook geen angst.
Deze Bodhisattva, boven de gewone menselijke geest uitstijgend, is Nirvana.
Omdat alle ware Boeddha’s van heden, verleden en toekomst zich verlaten op grote wijsheid, zijn ze de allerhoogste en volmaakte verlichting.
Weet wel: de Prajnaparamita is de allergrootste mantra, het is de ongeëvenaarde, meest verheven en diepste mantra, de grote wijsheid die alle lijden verlicht.
Het is de volle waarheid, geheel vrij van bedrog, luister, de grote wijsheid mantra luidt als volgt:
O Boeddha, gaan, doorgaan, altijd verder gaan, altijd te boven gaan, altijd Boeddha worden.
Hulde aan de grote wijsheid tot heil van al!


De Soetra van Grote Wijsheid, ook bekend als de Hartsoetra, is waarschijnlijk de meest bekende soetra in het boeddhisme. Het verscheen allereerst in een soetra die de Mahaprajnaparamita-soetra wordt genoemd en die, naar het schijnt, weer een compilatie is van veertig korte soetra’s. Het is volgens wetenschappers niet duidelijk of de Soetra van Grote Wijsheid als een op zichzelf staande soetra is geschreven en later is ingevoegd in de grotere Mahaprajnaparamita-soetra, of dat het een gedestilleerde vorm is van die grote soetra. Het verscheen in ieder geval allereerst binnen die grote soetra die geschreven is aan het begin van onze jaartelling. We hebben dus hier te maken met een geschrift van ongeveer twee duizend jaar oud.

Leegte

De Soetra van Grote Wijsheid wordt, net zoals de overige leringen van de Mahaprajnaparamita-soetra, gezien als het onderricht dat de Boeddha Shakyamuni gaf op Vulture Peak, een berg in Noord-India. Alhoewel ze zijn opgeschreven lang na de dood van de historische Boeddha, beginnen belangrijke Mahayana-geschriften vaak met een beschrijving van de plaats waar de Boeddha zijn onderricht gaf en met een beschrijving van de aanwezigen. De groep van aanwezigen op Vulture Peak is dezelfde als die in de Lotus-soetra en vertegenwoordigt de Sangha in zijn geheel. De Soetra van Grote Wijsheid is één van de belangrijkste soetra’s in het Mahayana boeddhisme, vooral in China en Japan, en is de meest vooraanstaande soetra in het Zenboeddhisme omdat het op een duidelijke en beknopte wijze het begrip ‘sunyata’ beschrijft. Sunyata is een Sanskriet woord en betekent ‘leegte’. Het is dit begrip leegte waar we in deze soetra naar zullen kijken. Ik zal dit doen vanuit een bepaald perspectief, één die naar ik hoop net zo behulpzaam voor de lezer zal zijn als het voor mij is geweest.

Afgescheidenheid

Ikzelf ben langzaam tot dit specifiek perspectief gekomen door een gevoel van afgescheidenheid, een gevoel dat ik al van kinds af aan heb ervaren. Toen ik met de boeddhistische beoefening begon en een boeddhist werd, realiseerde ik me dat in het Boeddhisme dit gevoel van ‘afgescheiden zijn’ centraal staat. Het was goed om te weten dat ik niet de enige was die zo voelde. Het gevoel van afgescheiden zijn, van het op jezelf staan, is één manier waarop je over het ontstaan van dualiteit of tegenstellingen kan spreken. Het zegt iets over waar ieder van ons bewust van is. Ik denk zelfs dat het juist is om te stellen dat de meest indringende en belangrijkste kenmerk van een mens is dat we dit gevoel hebben iemand te zijn, een ‘ik’, een ‘mij’; het hebben van ‘mijn lichaam’ en ‘mijn geest’. Elk essentieel menselijk probleem dat bestaat kan uiteindelijk worden teruggebracht tot dit gevoel van een ‘ik’ te zijn, dit gevoel van afgescheidenheid. Dus de lering van de Soetra van Grote Wijsheid, die zich heel direct richt op dit ding dat we ‘ik’ noemen, is heden ten dage evenzeer geldig als het was twee duizend jaar geleden. En misschien wel meer zo wanneer je bedenkt dat er nu miljarden mensen op deze planeet rondlopen die allen verschillende en soms tegengestelde doelen nastreven.

De Soetra van Grote Wijsheid identificeert op juiste wijze de kern van de zaak van het mens-zijn en dat is dit gevoel te hebben van ‘mijn lichaam’ en ‘mijn geest’. En het vraagt in essentie dan het volgende: wat is deze verzameling, dit complex geheel, dat we ‘mijn lichaam’ en ‘mijn geest’ noemen? Na het kijken naar en beschrijven van wat het is – in zeer gedetailleerde wijze – toont het ons op een duidelijke wijze wat te doen met dat gevoel, die gewaarwording van het hebben van een lichaam en een geest. In minder dan één pagina beschrijft de soetra kort en bondig wat het betekent een mens te zijn en hoe we kunnen oefenen.

De vijf skandha’s

Het boeddhisme beschrijft traditioneel ons lichaam-geest complex in termen van wat de vijf skandha’s worden genoemd. Het is hier belangrijk te vermelden dat het getal vijf niet absoluut is. De skandha’s vormen een schematische wijze waarop we naar ons lichaam en geest kunnen kijken en deze kunnen analyseren door het uit te splitsen in vijf lagen of categorieën. Sommige boeddhistische tradities hebben zes of zeven skandha’s dus het getal is niet zo belangrijk. Wat wel belangrijk is, is dat deze schematische wijze van analyse ons verschillende patronen toont in een wijze die gemakkelijk te onthouden is en behulpzaam is in het herkennen van belangrijke aspecten van onszelf en hoe we ermee kunnen oefenen.

Het woord skandha, dat een Sanskriet woord is, betekent letterlijk een ‘stapel’ of ‘opeenstapeling’ en wordt meestal vertaald met het woord ‘aggregaat’. Ikzelf denk over een skandha als een verzameling. Welk woord we ook gebruiken, het is belangrijk om in gedachten te houden dat elk van de skandha’s in werkelijkheid een gebeurtenis is, een proces. Elke skandha heeft intrinsiek een geweldige dynamische kwaliteit waar ik later op zal terugkomen. In plaats van nu in groot detail in te gaan op elke skandha, wil ik ze liever eerst kort beschrijven om u een gevoel te geven wat ze voorstellen en vervolgens te beschrijven waar de soetra naar verwijst.

De eerste skandha: vorm, of materie, is, zeg maar, ons fysieke lichaam en er zijn twee manieren waarop we ernaar kunnen kijken. Eén is het kijken naar de elementen waaruit het lichaam is opgebouwd (in het boeddhisme worden dat de vijf elementen genoemd). De tweede manier van kijken naar ons lichaam is in termen van hoe het functioneert door middel van de vijf zintuigen en de vijf zintuigobjecten – oog, oor, neus, tong en lichaam ‒ en de zintuigobjecten welke zijn: dát wat gezien, gehoord, geroken, geproefd en gevoeld wordt met het lichaam.

De volgende skandha is gevoel. Gevoelens hebben te maken met de informatie die via de zintuigen binnenkomt en zijn drievoudig: prettig, pijnlijk of neutraal. Dus wanneer we ’s ochtend buiten lopen, is het dan koud, of warm of is het gewoon een redelijke dag? Is het licht te scherp, doet onze knie pijn of is het prima zoals het is, enzovoorts. Deze skandha heeft dus betrekking op elementaire fysieke gevoelens.

De derde skandha is gedachten en heeft te maken met ons taalstelsel. Het zijn de mentale beelden, symbolen en woorden die we hebben en hoe we ze gebruiken om onze ervaringen, die we via de zintuigen binnenkrijgen, te organiseren en structureren.

De vierde skandha, activiteiten gedaan met een intentie (wil), heeft alles te maken met onze emoties. Emoties hebben betrekking op een beweging (= motie) naar buiten, wij doen iets. Haat, hebzucht en onwetendheid zijn drie wijzen van handelen, en alle emoties vormen tesamen de skandha van ‘wilsactiviteiten’.

De laatste skandha, bewustzijn, heeft te maken met de vijf bewustzijnsferen van respectievelijk de ogen, oren, neus, tong en het lichaam. Een boeddhistische basislering is dat drie dingen samen moeten komen om gewaar te zijn dat je iets hoort, of ziet, of proeft, enz. Je hebt een zintuigorgaan nodig dat naar behoren functioneert, je hebt iets nodig om waar te nemen en je hebt een bewustzijn nodig dat samenhangt met het specifiek zintuigorgaan en –object.

In het boeddhisme wordt naast de vijf bewustzijnssferen nog een zesde onderscheiden en dat is de geest, die bewust is van de inhoud van de geest. Deze ‘geestesbewustzijn’ coördineert al de overige bewustzijnssferen waarin de informatie van de zintuigen verschijnen. Dit is hoe het boeddhisme historisch gezien alle verschillende componenten van ons lichaam-geest complex heeft samengebracht; tonend wat het is dat we zijn, waaruit we bestaan en hoe we functioneren.

Wijsheid

Laten we nu beginnen, met het voorgaande als beknopte achtergrond, met de Soetra van Grote Wijsheid. In deze soetra is Kanzeon in gesprek met Sariputra, die gezien wordt als de meest wijze discipel van de Boeddha. Kanzeon probeert hem te helpen zijn begrip van wat Wijsheid is te verdiepen. (In veel geschriften zoals de Soetra van Grote Wijsheid, blijft de Boeddha in meditatie terwijl een bodhisattva namens hem spreekt. Wat gezegd wordt, wordt gezien als de Boeddha’s eigen woorden.) Wat in de soetra gezegd wordt is dat Kanzeon in de diepste Wijsheid – de wijsheid van het hart – iets vond, iets ervoer, iets wist. Het wordt duidelijk gemaakt dat deze Wijsheid van het hart niets te maken heeft met gedachten of met een wijsheid die onderscheid maakt. Dit weten komt voort uit een diep begrip of diepe ervaring van de skandhas, “zoals ze zijn”. We zien dat dit te maken heeft met wat we proberen te doen wanneer we zelf mediteren. En dat is dat we eenvoudigweg bewust zijn van hoe de dingen, die we ervaren, werkelijk zijn.

Kanzeon Bosatsu is ieder van ons. Je kan ook zeggen dat ieder van ons Kanzeon tot uitdrukking brengt wanneer we mediteren en we de dingen ervaren zoals ze zijn. Het cruciale aspect van mededogen, dat we in het zittend mediteren tot uitdrukking brengen, is het vermogen om eenvoudigweg te zijn met hoe de dingen zijn. Met andere woorden, door niet weg te duwen noch door vast te houden, ervaren we de dingen gaandeweg meer en meer zoals ze werkelijk zijn (en niet zoals we denken dat ze zijn). Daarom zegt Kanzeon in de eerste regel van de soetra tegen Sariputra dat wanneer iemand mediteert en de dingen ervaart zoals ze zijn, hij/zij de intrinsieke eigenheid van de vijf skandha’s ervaart als zijnde “Leeg, ongekleurd en klaar”. Een intrinsieke eigenheid hebben betekent dat er in het hart van ons wezen iets is ‒ in het boeddhisme een ‘zelf’ genoemd ‒ dat op zichzelf staat en een onveranderlijk en onafhankelijk bestaan heeft (in de meeste religies wordt dit een ziel genoemd). Kanzeon zegt dat het karakter van dit ‘zelf’, dit ‘ik’, dat een verzameling van de vijf skandha’s is, leeg is. Samengevat, denken dat er een ‘zelf’ (een ziel) is, is verkeerd. Er is in werkelijkheid geen afgescheiden ‘zelf’, geen onafhankelijk en op zichzelf staand ‘ik’.

Vervolgens verklaart de soetra dat ook elke skandha, elk zintuigorgaan en elk zintuigobject leeg is, ongekleurd en klaar. Oog, oor, neus, tong, lichaam, geest, ze zijn allen leeg. Dat wat je ziet, hoort, ruikt, proeft, voelt met je lichaam, ze zijn allen leeg, ze hebben geen intrinsiek onafhankelijk bestaan. Alles waarvan we kunnen zeggen dat het een aspect van een mens is, is leeg. Er is werkelijk niets in ons dat onafhankelijk op zichzelf staat.

Een regenboog

RegenboogAlhoewel er geen vervanging is voor de directe ervaring van de leegte van lichaam en geest, wil ik hier toch in een analogie proberen te beschrijven wat het is dat de Soetra van Grote Wijsheid ons probeert duidelijk te maken. De analogie betreft een regenboog. Laten we om te beginnen een paar vragen stellen die het karakter van de skandha’s hopelijk verder zullen verduidelijken. Bestaat een regenboog echt? Heeft het een onveranderlijk en onafhankelijk bestaan? Of is het ‘leeg’? Wat is nodig om een regenboog te laten ontstaan? Wat moet er eerst gebeuren om een regenboog zichtbaar te laten worden?

Net zoals in onze analyse van de skandha’s is ook hier het aantal betrokken factoren niet absoluut precies maar toevallig vijf. De factoren die een regenboog doen ontstaan zijn wel bekend en zijn als volgt. De eerste factor is de aanwezigheid van zonlicht. Vervolgens is er lucht, aanwezig als atmosfeer. Ook zijn er kleine regendruppels in de lucht noodzakelijk. De vierde factor is de aanwezigheid van een waarnemer. En als laatste is er een specifieke oriëntatie nodig tussen de waarnemer, de zon en de regendruppels in de lucht. In het algemeen is het zo dat we pas dan een regenboog zien als de zon achter ons staat wanneer we naar de regendruppels in de lucht kijken.

Alleen als deze vijf factoren samenkomen, zien we een regenboog verschijnen. Als we ook maar één factor wegnemen, is er geen regenboog. Als je zojuist naar een mooie regenboog hebt staan kijken en vervolgens schuift een wolk voor de zon, verdwijnt de regenboog, hij is weg. Als dit gebeurt, zeggen we dan: “O hemel, de regenboog is zojuist gestorven!”? Het mag misschien een beetje komisch lijken om het zo uit te drukken maar het heeft een aantal belangrijke implicaties. De zon is nog altijd daar en er is dus nog altijd zonlicht. De overige vier factoren zijn ook nog altijd aanwezig maar zijn niet meer in dezelfde plaats als voorheen. Dus niets is fundamenteel veranderd, alles is nog altijd aanwezig alleen niet meer op dezelfde plek. Dus, alleen als deze vijf factoren samenkomen ontstaat of verschijnt een regenboog. Een belangrijk inzicht is dan ook dat wanneer een regenboog verschijnt dit betekent dat deze vijf factoren ook aanwezig zijn. Zeggen dat er een regenboog is, is zeggen dat de vijf factoren aanwezig zijn. Met andere woorden, een regenboog heeft geen onveranderlijk en onafhankelijk bestaan maar zal pas verschijnen wanneer deze vijf factoren gelijktijdig en op dezelfde plaats samenkomen.

Geen onveranderlijk en onafhankelijk bestaan

Omdat deze vijf factoren en de regenboog gelijktijdig plaatsvinden, zeggen we dat ze ‘onderling verbonden’ zijn in hun verschijnen of plaatsvinden. Omdat je nooit een regenboog krijgt zonder één van de vijf factoren, zeggen we dat ze ‘onderling afhankelijk’ of samenhangend zijn. En omdat ze allen in dezelfde plaats moeten zijn, zeggen we dat de regenboog en de vijf factoren elkaar ‘volledig doordringen’. En dit is wat het leeg zijn van het ‘zelf’ letterlijk betekent. Een regenboog heeft geen onveranderlijk en onafhankelijk bestaan; hij is onderling verbonden, onderling afhankelijk en onderling doordringend met alle bestaan.

Met dit begrip van leegte kunnen we zien dat dit ook voor mensen geldt en voor de vijf skandha’s. Wanneer we het hebben over een mens houdt dit in dat vorm, gevoel, gedachten, wilsactiviteiten en bewustzijn allemaal gelijktijdig aanwezig zijn in dezelfde plaats. Dus over een mens te spreken is als het ware te spreken over deze vijf skandha’s die onderling verbonden, afhankelijk en elkaar wederzijds doordringend zijn verschenen. En net zoals het is bij de regenboog, wanneer deze vijf skandha’s samenkomen: hier zijn wij!

De vijf elementen

Laten we een stap verder gaan en kijken naar de eerste skandha, die van vorm, ons lichaam. Enigszins afhankelijk van welke boeddhistische traditie en welk tijd in het verleden je bekijkt, wordt aangenomen dat het lichaam is opgebouwd uit vier, vijf of zes elementen. De vijf zijn aarde, water, vuur, lucht/wind en ruimte, en we zijn opgebouwd uit verschillende hoeveelheden van ieder van deze elementen. We zijn opgebouwd uit een vast (aarde) element, een vloeibaar (water) element, een warmte (vuur) element, enz. Alhoewel de moderne wetenschap een heel verschillende terminologie gebruikt, zal het niet ontkennen dat ons fysieke lichaam opgebouwd is uit vele verschillende elementen. Wat dit aantoont is dat wanneer je één van de skandha’s bekijkt, je zal zien dat het in werkelijkheid ook weer is opgebouwd uit vele factoren. Zo is de skandha van vorm onderling verbonden, onderling afhankelijk en onderling doordringend met andere factoren: de vijf elementen. Dus net zoals een mens onderling verbonden, afhankelijk en doordringend is met de vijf skandha’s, zo is ook elke skandha onderling verbonden, afhankelijk en doordringend met de elementen waaruit het is opgebouwd. En net zoals een mens ‘leeg’ is, zo is elk van de skandha’s leeg. Als we goed kijken naar de vijf elementen en ons afvragen waar bijvoorbeeld het water-element van het lichaam eindigt en het water-element begint van bijvoorbeeld de regen waar je in loopt, of het water-element van de aarde, dan zien we dat er eigenlijk geen absolute scheidingslijn is. We kunnen het water van ons lichaam niet echt scheiden van het water van de aarde. En zo is het ook voor de andere vier elementen. Ze zijn onafgebroken en deel van de elementen van de aarde en van het gehele universum.

Wat hierboven beschreven is kunnen we zien als cirkels binnen cirkels binnen cirkels. Er is dit ongelofelijk dynamische web van factoren die allen met elkaar verbonden zijn en voortdurend en gelijktijdig binnen elkaar verschijnen. Wanneer we ‘jij’ en ‘jij bestaat’ zeggen, zeggen we eigenlijk dat het hele universum bestaat. Omdat er een ‘jij’ is en omdat er een ‘mij’ is, is er ook een universum dat gelijktijdig en onderling verbonden verschijnt. Er is absoluut geen manier waarop we ook maar iets kunnen scheiden.

In het kijken naar onszelf – naar de skandha’s en de elementen waarop ze zijn opgebouwd – ontdekken we dat de Soetra van Grote Wijsheid een beeld geeft van een volledig onderling afhankelijk universum: een dynamisch, stromend, veranderend maar volledig compleet en samenhangend universum waarin we leven. Woorden zijn hier ontoereikend omdat woorden altijd concepten van schijnbaar op zichzelf staande dingen zijn terwijl het eigenlijk allemaal één grote beweging is.

Het dieper perspectief

Als we beginnen te begrijpen waar de Soetra van Grote Wijsheid naar verwijst – dat ieder van ons in dit immense samenhangend universum leeft dat voortdurend stroomt en verandert – dan begint ook meer van de leringen in de soetra duidelijk te worden, op zijn minst conceptueel. Zo staat er: “Ze worden niet geboren noch sterven ze volkomen.” Worden we geboren en sterven we vanuit dit dieper perspectief? Omdat een mens het samenkomen is van de vijf skandha’s in dezelfde plaats, kunnen we dit wellicht ‘geboren worden’ noemen. Maar aangezien de vijf skandha’s altijd veranderen als een stroom, betekent dit dat een mens altijd aan het geboren worden is. En er staat verder: “Noch sterven ze volkomen.” Als de vijf skandha’s niet in dezelfde plaats samenkomen, elkaar niet wederzijds doordringen, is er niet minder van de vijf skandha’s, maar is er geen mens. Vanuit dit perspectief zien we dat het niet volledig juist is om te stellen dat mensen geboren worden of dat ze sterven. Twee regels verder in de soetra wordt gezegd: “Ze nemen toe noch nemen af.” We beginnen te begrijpen dat de skandha’s en alle factoren waaruit ze zijn opgebouwd nooit minder of meer aanwezig zijn. Dus vervolgt de soetra, “… – noch is er opeenhoping, – noch tenietdoening, – …. Tot we aankomen waar ouderdom en dood niet meer bestaan en evenmin het eind van ouderdom en dood.” We zien dat het onjuist zou zijn om te stellen dat er geen ouderdom en dood is (of geboorte en jeugd) en dat het evenzeer onjuist zou zijn om te stellen dat er slechts ouderdom en dood is (of geboorte en jeugd). Het is in feite beiden gelijktijdig waar, afhankelijk vanuit welke positie of niveau je kijkt.

Lijden

Het is belangrijk om in gedachten te houden dat de Boeddha in de Soetra van Grote Wijsheid deze lering geeft aan ons allen. Het gevoel van afgescheidenheid is pijnlijk en is een bron van lijden. Voor ieder van ons zijn er die dingen in onszelf die pijnlijk zijn en ons lijden veroorzaken. Ze zijn niet de enige reden waarom we beginnen met de training maar ze zijn wel een belangrijk deel ervan. Wat kunnen we doen met dat gevoel van lijden, gezien vanuit de leer van leegte? Tegen het einde van de soetra wordt gesproken over het je verlaten op de ‘Grote Wijsheid’, het vertrouwen op diep inzicht. We moeten de leer van leegte vertrouwen omdat “Het de volle waarheid is, – geheel vrij van bedrog.” Ieder van ons begint de training zonder deze diepe ervaring en dit diepste inzicht. Maar de soetra vraagt van ons om deze lering als waarheid aan te nemen, erop te vertrouwen en er één mee te worden. We zullen moeten beginnen met het kijken naar wat we in het dagelijks leven doen vanuit het perspectief van de analogie van de regenboog; kijken naar ons gedrag vanuit het perspectief van dit samenhangend ondeelbaar en voortdurend veranderend universum waarin we leven om te zien hoe goed dat gedrag past bij het leven in dit type universum.

Er wordt soms gezegd dat het enige verschil tussen een gewoon persoon en een Boeddha wordt gemaakt door gehechtheid. We leven allemaal in hetzelfde universum, maar we gaan er verschillend mee om. Een Boeddha leeft op een onthechte wijze en wij ‘gewone’ mensen neigen ernaar om heel wat vast te houden of weg te duwen. Eerw. meester Jiyu beschreef dit stromende universum vaak als een grote rivier en zei dan dat de wijze waarop we moeten oefenen te vergelijken is met het eenvoudigweg je hand in de rivier steken en hem te openen. Wanneer we dat doen beginnen we te ontdekken dat er geen afgescheidenheid bestaat tussen wat we ‘ons’ noemen en het universum waarin we leven. En dat we op de één of andere manier afgescheidenheid voelen wanneer we vasthouden of wegduwen.

Groot Mededogen

De Soetra van Grote Wijsheid begint met te zeggen dat we groot mededogen moeten belichamen of uitdrukken en dit maakt het mogelijk voor ons om de dingen te zien zoals ze waarlijk zijn, om te ervaren hoe dit universum waarlijk is. We doen dit door niet vast te houden of weg te duwen maar door te mediteren zoals de Stille Belichting Meditatie-traditie ons dat leert. Wanneer we de dingen zien zoals ze zijn, weten we hoe de volgende stap te zetten. En dit is onszelf volledig opgenomen te laten worden in en voortbewogen worden door dit universum waarvan we deel zijn, door langzaam al die plaatsen los te laten waar we vasthouden of wegduwen. Dit wordt heel mooi verwoord in de laatste twee zinnen van de soetra: “O Boeddha, gaan doorgaan, altijd verder gaan, altijd te boven gaan, altijd Boeddha worden. Hulde aan de Grote Wijsheid – tot heil van al!”

Het universum gaat altijd door maar hoe is dat met ons? Het lijden ligt in het achterblijven, in het niet bijhouden, het niet meebewegen met het altijd stromende universum, en dus in het er gescheiden van raken. Dit ‘Boeddha worden’ is iets dat op elke moment gebeurt want dit is een dynamisch en voortdurend veranderend universum waarin we leven. In het reageren op wat dit universum ons brengt ‒ zien van wat we moeten doen door los te laten of niet weg te duwen ‒ zijn we in staat om door te gaan, verder te gaan. Dat is wat Boeddha zijn betekent. Boeddha zijn is zijn met het universum zoals het zich van moment tot moment ontvouwt. En onthoud altijd de “Hulde aan de Grote Wijsheid – tot heil van al!.

Het is een absoluut wonderbaarlijk, schitterend universum waarin we leven en we kunnen het volledig vertrouwen.

(Dit artikel is gebaseerd op een lezing gegeven tijdens de Summer Training Period in Throssel Hole Buddhist Abbey in 2007.

Noten:
1) Dit wordt uitgelegd in: The Dailai Lama, Essence of the Heart Sutra, vertaald door Jinpa, G.T. (Boston: Wisdom, 2002) pag. 68 [Ed.]
2) Narada Thera, The Buddha and his Teachings, (Taipei, Taiwan: The corporate Body of the Buddha Educational Foundation, 1977). Zie vooral pag. 711-712.
3) Essence of the Heart Sutra, pag. 78-79, op.cit. In vele Geschriften blijft de Boeddha in meditatie terwijl een Bodhisattva namens hem spreekt, dus dit wordt nog altijd gezien als de Boeddha’s lering. [Ed.]

Oorspronkelijke titel: The Scripture of Great Wisdom
Vertaling: Eerw. Baldwin Schreurs
Gepubliceerd in: The Journal of the Order of Buddhist Contemplatives, Vol 25, 2010, Nummer 2