YesVandaag wil ik graag wat zeggen over acceptatie. Het is een van die sleutelbegrippen binnen de boeddhistische oefening. En ik wil het tevens verbinden met een van de centrale leerstellingen van de Zentraditie en dat is dat we nooit Boeddha worden. De reden hiervoor is dat we al Boeddha zijn, en we oefenen in zitmeditatie om dat te beseffen. Wat bedoeld wordt met “je kan niet Boeddha worden” is dat we ophouden met buiten onszelf te zoeken voor iets anders.

Ikzelf dacht vroeger over de Boeddha als iets dat vergelijkbaar was met God. Het was voor mij iets dat zich ergens daarboven bevond en ik was hier en het boeddhisme was dan het pad van hier naar daar. En de vraag is dan vervolgens “hoe zou ik, hoe ik nu ben, een Boeddha kunnen worden?” In zekere zin heeft dat soort begrip van het Pad zijn plaats. In het begin, wanneer we aan het overwegen zijn of we gaan oefenen of niet, en wanneer we werkelijk de verantwoording gaan nemen voor onze eigen levens, zien we vaak allerlei dingen in onszelf die we niet graag mogen en die we willen veranderen. We willen de zaakjes op orde gaan brengen. Het is zonder meer belangrijk dat we gaan werken aan die dingen waarvan we onderkennen dat we ze moeten veranderen. Dus dat we ons leven op een andere manier moeten gaan leven.

Wanneer het Pad zich op die manier voor ons opent, zien we de richting waarin we moeten gaan. We hebben de keuze: we kunnen die richting opgaan of niet en dat is allemaal belangrijk. Maar na verloop van tijd komen de meesten van ons, denk ik, op het punt waar we niet meer twijfelen of we het willen doen of niet, maar waar het lijkt alsof er niets wezenlijks gebeurt of verandert. Klinkt dat bekend voor jullie? Je kunt dit ook met andere woorden zeggen: wij willen verlichting maar verlichting schijnt ons niet te willen. Of op zijn minst lijkt het altijd op een afstand te liggen van waar ik nu ben. We weten dat we ons willen wijden aan de oefening en de vraag is nu hoe we van dat punt naar een diepere wijze van beoefening kunnen komen in plaats van aan de rand te blijven staan. Iets waarvoor een echte verandering moet plaatsvinden in het verloop van de beoefening. Dat wordt in het Zenboeddhisme soms beschreven als ‘de poort binnengaan’.

Acceptatie van ons lichaam

Het is inderdaad als een poort doorgaan in die zin dat we in het begin het Pad zien als lopend van waar we nu zijn naar iets ver weg dat we Boeddha of Nirvana noemen. En dat is buiten de poort staan. Om de poort door te gaan zullen we moeten beginnen met het werkelijk accepteren van wie en wat we zijn. Wat ik wil zeggen over acceptatie heeft hierop betrekking. Maar laat ik het eerst terugbrengen naar iets concreets. Wanneer we in meditatie zitten wordt het eerste aspect van wat acceptatie is, gevormd door ons lichaam. We zullen nooit een ander lichaam hebben dan dit lichaam dat we nu hebben. Of dit lichaam nu gezond en energiek is, ziek en pijnlijk of op de een of andere wijze moeilijk te accepteren valt, of onplezierig aanvoelt – hoe het ook moge zijn – het is het enige lichaam dat we in dit leven hebben. Dus zitten in meditatie met dit lichaam kan alleen maar lukken wanneer we het volledig accepteren. Die acceptatie begint wanneer we de houding van meditatie aannemen en we daarin ontspannen. De poort van ons lichaam binnengaan, betekent dat we bereid zijn te zitten met niets anders dan dit lichaam. Want het is duidelijk dat het weinig zin heeft te verlangen naar het lichaam van een super-model of een sterke man met stevige spieren of iets dergelijks, terwijl we het lichaam hebben dat we nu eenmaal hebben. Dus zit als het ware ‘in’ je eigen lichaam. En die acceptatie geeft je een bijzonder gevoel van gronding. Dit alles betekent dat we niet op zoek gaan naar iets anders dan hoe dit lichaam nu is, want dit lichaam is in feite het lichaam van de Boeddha. Met deze acceptatie begint het binnengaan van de poort. We zien de Boeddha niet meer als iets anders, maar als dat wat hier aanwezig is en zit.

Het is zonder meer waar dat we moeten ontwaken tot de aanwezigheid van de Boeddha. We kunnen dan wel zeggen dat de Boeddha aanwezig is, maar dat zijn slechts woorden. We moeten de betekenis van deze woorden werkelijk gaan onderkennen. Dit kunnen we doen door te stoppen met het zoeken naar iets anders dan dat hier en nu aanwezig is. En dan is er die twijfel: “hoe kan ík Boeddha zijn?” Ik zal dit in mijn verhaal proberen toe te lichten.

Acceptatie van de geest

Net zoals je tijdens de meditatie ‘in’ het lichaam zit, zo zit je ook ‘in’ de geest. Wanneer we mediteren is het voor de meesten van ons vaak zo dat de geest van het ene onderwerp naar het andere gaat. We zien onze geest afdwalen naar iets en we brengen hem terug waarna hij na verloop van tijd weer afdwaalt en we hem weer terugbrengen. We steken onze energie in het eenvoudigweg stil zitten maar zien onze geest steeds weer afdwalen. In ons hoofd kunnen we nogal bezig zijn. Het is belangrijk om te onthouden dat de geest en het lichaam van dit moment de geest en het lichaam van de Boeddha zijn. Zelfs de geest die afgeleid is, is Boeddha’s geest. Er zijn geen twee geesten in hoe Zen naar het leven kijkt. Geen ‘verlichte’ geest en ‘onverlichte’ geest; er is slechts geest. Of je zou kunnen zeggen: deze geest. Dus als we in meditatie proberen de geest te veranderen, proberen we niets anders dan iets anders te zijn dan wat we hier en nu zijn.

Wanneer we bereid zijn om eenvoudig dat te zijn wat we nu zijn, dan stappen we door de poort van acceptatie van lichaam en geest. Maar er is iets in dit alles dat we moeilijk kunnen accepteren. We hebben allemaal wel een vaag gevoel van de noodzaak tot transformatie. Ikzelf denk dat er in elk mens en misschien wel in alle levende wezens en in het gehele bestaan iets is dat ernaar zoekt om volledig zichzelf te zijn. Om zichzelf volledig te kunnen uitdrukken in heel zijn wezen en leven. Misschien is dat wel een andere manier van hoe je verlichting zou kunnen omschrijven. Dus aan de ene kant ervaren we onszelf als verdwaald, lijdend, in moeilijkheden, enz. en aan de andere kant komt er iemand, zoals mijzelf, die dan zegt dat je Boeddha bent. Hoe komen die twee samen?

Het begint wanneer we gaan begrijpen dat er ook een dynamisch aspect van acceptatie is. Voor acceptatie is het nodig dat we ons waarlijk overgeven. We moeten de poort door willen gaan, wat betekent dat we onszelf volledig geven aan de oefening van het zitten in lichaam en geest tijdens de meditatie. Als we begrijpen dat de dynamische kwaliteit van ‘het onszelf geven aan het zitten’ deel van het mediteren is, helpt dat bij het oplossen van de vraag hoe verandering plaatsvindt en hoe het voor mij mogelijk is mij verder te ontwikkelen en te groeien en Boeddha te worden. Of om het juister te formuleren, om mijzelf te verwezenlijken en te ontwaken in het besef dat ik Boeddha ben.

Liefde

Ik wil daarom wat dieper ingaan op die dynamische kwaliteit die acceptatie heeft en de werking daarvan. Dit is gebaseerd op het feit dat het ‘wezen’ van het gehele bestaan Boeddha is. Wanneer we zitten en ons geven aan het zitten, brengen we een diep en fundamenteel vertrouwen in wat wij waarlijk zijn, in dit hier [eerw. meester Daishin wijst naar zichzelf] tot uitdrukking. Er zijn twee aspecten van het zich volledig geven aan het zitten. Er is het aspect van wat in het boeddhisme soms ‘samadhi’ wordt genoemd. Dit is het jezelf overgeven. Hierin hebben we de bereidheid om niet te oordelen en vooral niet te veroordelen. In het boeddhisme wordt vaak gesproken over de positieve emoties in termen van ‘wat niet te doen’. Dus wanneer ik zeg ‘niet veroordelen’ bedoel ik ‘liefde geven’. We spreken over ‘niet veroordelen’ omdat we eigenlijk al liefde kennen; we beschikken in feite al over een goede basis van liefde voor onszelf en voor anderen, maar het is zonder meer waar dat deze soms verloren lijkt te gaan omdat we onszelf verliezen in andere dingen. We vertrouwen onszelf of anderen soms niet of soms zijn we defensief. Dus het boeddhisme zegt: herken de defensieve kwaliteit van hoe je nu bent en laat dat gaan. We praten niet over het genereren van liefde want nogmaals, liefde is in beginsel al in ons aanwezig.

Als ik gevraagd wordt om liefde te genereren, begin ik me tamelijk ongemakkelijk te voelen. Als iemand hard aan het proberen is om mij lief te hebben, wordt het wat mij betreft al gauw te veel. Iets voelt dan onecht. Maar als iemand een werkelijke poging doet om me niet uit te schelden wanneer hij of zij kwaad is, dan is er iets echts gaande. Met andere woorden, we vertrouwen op onze menselijkheid en op onze fundamentele goedheid. En vervolgens zien we dat er die dingen zijn die beter niet gedaan kunnen worden. Dat zijn dingen zoals frustratie of kwaadheid en dergelijke, die zich soms aan ons voordoen en waarvan het gewoonweg niet behulpzaam is je erin te verliezen. We zien en weten dat allemaal wel voor onszelf. Eigenlijk willen we onszelf helemaal niet verliezen in dat soort gemoedstoestanden. Het is juist door acceptatie dat we een weg vinden om die dingen los te laten.

‘Samadhi’ is in zekere zin het ‘stille’ aspect van Stille Belichting Meditatie (Sōtō-Zen), de naam die onze traditie draagt. Het is belangrijk om te zien dat er iets gebeurt wanneer we onszelf volledig geven aan het zitten in meditatie. Er is dan een sereen ‘zijn’ op dat moment, want als je jezelf volledig aan het zitten geeft, laat je al het andere gaan. Alleen ‘dit’ blijft over en je geeft jezelf hier volledig aan. Dit is het eerste en meest duidelijke aspect van acceptatie. Maar er is ook een andere kant en dat is het ‘belichting’-aspect. Ik zal het woord ‘prajna’ gebruiken. Dit is een oude boeddhistische term uit het Sanskriet die vaak wordt vertaald met ‘wijsheid’. Maar het is geen wijsheid in de zin van ‘intellectuele kennis’ maar in de zin van ‘inzicht’, het ‘zien van hoe de dingen werkelijk zijn’. Soms wordt het vertaald met ‘het zien van het wezen van de dingen’. Dus aan de ene kant hebben we ‘samadhi’, het geven van jezelf aan de oefening van het zitten, waarmee we onze bereidheid om alleen maar ‘dit’ te zijn wat we nu zijn tot uitdrukking brengen. En aan de andere kant hebben we ‘prajna’, het vermogen om de dingen te zien voor wat ze waarlijk zijn. Dat is op zich een grote uitspraak, vooral als je tegen jezelf zegt: “Ik zie de dingen zoals ze waarlijk zijn”. Zelf zou ik zeggen dat als je zo over jezelf denkt, je op weg bent om in moeilijkheden te geraken. Er is iets met ‘prajna’ dat we niet bezitten in die zin dat het een zelfloze kwaliteit heeft. En er is het ‘zien van hoe de dingen waarlijk zijn’.

Echt waarnemen

Maar laten we weer even terugkomen naar het zittend mediteren. Je gaat zitten, je neemt een correcte en comfortabele zithouding in; je accepteert hoe het lichaam dan is en je accepteert hoe de geest dan is, ongeacht wat er zich op dat moment voordoet. Het ‘prajna-aspect’ van dit alles is dat je niet gaat proberen om de geest anders te maken dan dat hij op dat moment is. Want hoe kan je zien wat de geest werkelijk is als je steeds veranderingen aanbrengt. De geest is soms druk doende en iets in ons reageert van “Oeps, nee, dat wil ik niet! Weg daarmee, ik wil meer stilte en sereniteit! Ik wil geen vervelende geest die van de hak op de tak springt. Ik wil sereen zijn, liefhebbend en geliefd zijn; ik wil van iedereen kunnen houden. Ik wil die grote glimlach hebben!”. Maar wat ik op dat moment ervaar, lijkt daar helemaal niet op. Ik voel me ontevreden, misschien wel kwaad, depressief of wat het dan ook moge zijn. Juist dan is het belangrijk dat we accepteren hoe de dingen werkelijk zijn en niet hoe wij willen dat de dingen behoren te zijn. In het accepteren van hoe de dingen zijn ligt het gehele proces van transformatie besloten. Als we toelaten wat er werkelijk is, werkt juist dat inzicht zowel transformerend als accepterend. Maar als wij proberen iets te veranderen, raken we gevangen in de val van niet te accepteren hoe de dingen zijn. En toch, wanneer we werkelijk kijken, verandert het. Maar als ik het probeer, als ik bij wijze van spreken met de schroevendraaier aan kom zetten, dan lijkt alles wat ik doe het zooitje nog erger te maken of ik raak er zo bij betrokken dat ik in cirkeltjes rond ga draaien. Dan verandert het nooit echt; niets lijkt dan werkelijk te gebeuren met wat ik in de geest ervaar. De echte transformatie vindt pas plaats wanneer ik echt waarneem hoe de dingen werkelijk zijn.

In het boeddhisme hebben we de leefregels. Een wijze waarop we de leefregels kunnen definiëren is ‘de dingen zoals ze waarlijk zijn’. Wanneer we de dingen zien zoals ze waarlijk zijn, houden we ons aan de leefregels. Als ik hier zit en mijn hoofd tegen de pilaar naast het altaar aan het beuken ben en ik realiseer me wat ik aan het doen ben, dan stop ik daarmee want het doet pijn! Het lijkt natuurlijk heel vanzelfsprekend. Maar wanneer je ziet dat je jezelf aan het afscheiden bent van degenen die je liefhebt of wanneer je ziet dat je hen pijn doet, dan stop je ermee. Er moet hier wel een onderscheid gemaakt worden tussen min of meer zien en werkelijk zien. We zien het vaak min of meer en houden er niet zo van en misschien proberen we er zelfs wat aan te doen, maar we gaan niet echt de poort door en pakken het probleem niet echt aan. Daarom blijft het probleem vaak bestaan en blijven we steeds opnieuw hetzelfde soort fouten maken. Dat kan moeilijk voor ons zijn. Wat het boeddhisme bedoelt met acceptatie is dat we absoluut bereid moeten zijn om dí­e persoon te zijn die we werkelijk zijn. De persoon die deze dingen doet. De persoon die da­t probleem heeft. En eenvoudigweg in het hart daarvan te zitten en die persoon met al zijn hebbelijkheden volledig te accepteren. Wees helemaal die persoon; ga juist hier helemaal in en niet in iets anders, zonder te oordelen en zonder enige veroordeling; wees helemaal DIT.

Ik denk niet dat je jezelf kunt dwingen dit te doen. Je kunt niet gaan zitten en tegen jezelf zeggen: “Nu ga ik de poort door en het echt doen!”. Alhoewel, misschien geen gek idee, want het toont in ieder geval de bereidheid om te oefenen. Maar vaak is er een lange tijd van oefenen in zitmeditatie voor nodig. Het weten waarvoor we oefenen is de poort doorgaan. Welke poort? Deze poort! Dit [wijst naar zichzelf] lichaam en deze geest, hier en nu, in da­t moment!

Roep en antwoord

Toen we eerder deze ochtend aan het mediteren waren, kon je buiten de duiven horen. Misschien zijn ze je opgevallen, misschien ook niet. Misschien was je wel met iets anders bezig (gelach). Op dit moment hoor je de duiven buiten koeren. Wat gebeurt hier? Er is slechts dit en de duiven koeren. Is er een ‘jij’ die luistert naar de koerende duiven? Zijn er dan twee dingen hier of is het slechts ‘duiven die koeren’? Lichaam en geest zittend, alleen dat (koerende duiven). Net zoals je de duiven hoort koeren, is het volgende moment de geest iets aan het doen, misschien aan het denken over iets. Op welke wijze verschilt dat van de roepende duiven? We kunnen allerlei argumenten geven voor de wijze waarop ze verschillen, maar in een opzicht zijn ze hetzelfde. Op dit moment brengt het universum zichzelf tot uitdrukking in het koeren van de duif. Dat is een tamelijk romantisch idee en iets dat we ons vrij gemakkelijk kunnen voorstellen. Maar het universum op dat moment drukt zich uit in de beweging van mijn eigen geest en dat is net zo waar als het koeren van de duif. Als je je eigen geest kan horen op dezelfde wijze als dat je het koeren van de duif kan horen, ga je de poort door. Het koeren van de duif bevat het gehele universum wanneer we ophouden onszelf ervan af te scheiden. En ook de beweging van mijn eigen geest bevat het gehele universum. Waarom zouden we een onderscheid maken tussen de beweging van onze eigen geest en de beweging van de geest die tot uitdrukking komt in het koeren van de duif. Het is ‘roep en antwoord’. [Met ‘roep’ – je kan ook zeggen ‘vraag’ – wordt bedoeld de vraag voor volledige betrokkenheid met wat zich in dit moment voordoet. Bijvoorbeeld de situatie waarin we zien dat een kind in het water valt. Die situatie vraagt ons om te handelen en het kind te redden. Dit is een dramatisch voorbeeld. Eerw. meester Daishin stelt dat elk moment een beroep op ons om volledig betrokken te zijn.] Het ene roept en het ene antwoordt en in het roepen en antwoorden hebben we het leven zelf, zoals het zich in het hier en nu ontvouwt. Dit leven is Boeddha’s leven, precies hier en nu. Dit helpt ons om tot de juiste relatie tot alle dingen te komen en niet alleen met het koeren van de duif. Iemand maakt een onplezierig geluid op de straat of iemand scheldt op ons. Het is het universum dat zichzelf tot uitdrukking brengt in dit moment. Het heeft niets te maken met onze voorkeuren. Misschien vindt eenn van jullie het geluid dat duiven maken wel heel onplezierig. Het blijft dezelfde duif en hetzelfde geluid. We hebben allemaal zo onze voorkeuren. Het doel van het onszelf geven aan de beoefening, het ons overgeven aan het zitten, is dat we onze voor- en afkeuren laten gaan. Die zijn niet zo belangrijk. Het gaat om wat werkelijk plaatsvindt, hoe de dingen waarlijk zijn.

Met acceptatie van hoe de dingen waarlijk zijn beginnen we te zien dat ze niet alleen de uitdrukking zijn van het gehele universum in dit moment in de tijd, maar ook de uitdrukking van Boeddha-zijn in dit hier en nu. Hoe kan je de ‘stem van Boeddha’ horen, om het maar even zo uit te drukken, en daar geen gehoor aan geven? Als je niet antwoordt, dan heb je wat mij betreft niet echt de stem van Boeddha gehoord. Maar als we het echt horen, dan hoeven we er niet over na te gaan denken; iets in ons zegt meteen: “ja!” Iets in ons wil reageren. Het volgende moment zeggen we misschien “ho, wacht even”. Misschien worden we gegrepen door onze eigen angsten, verlangens of wat dan ook, maar er is iets in ons dat heel graag “ja” wil zeggen wanneer we de stem van het universum horen.

Mededogen

lotusbloem1Dit is hoe transformatie plaatsvindt. We staan onszelf toe om de roep te horen. Ik noem het ‘de stem van het universum’ of ‘van de Boeddha’ maar het is niet meer dan de ‘stem van de duif’ en niet meer dan de beweging van je eigen geest. Zoek niet naar iets anders en zeker niet naar een ‘stem’! Je weet waarschijnlijk wat ik bedoel: “Ik ben de stem van God. Doe wat ik je zeg!”. Dat bedoel ik niet. Het zijn de ‘dingen zoals ze zijn’ die de stem zijn. Niets anders. Als we ons realiseren dat de ‘dingen zoals ze zijn’ ons de weg wijzen – eigenlijk wijzen ze ons niet de weg, ze zijn de weg – is alles volledig aanwezig, hier en nu. Dit is ‘de poort doorgaan’. Dit is acceptatie. En dit is ook de krachtige transformatie. Want niet alleen zien we de dingen zoals ze zijn (de roep), maar we zien ook ons antwoord op de roep. We worden geroepen en er is het antwoord. De roep is in feite net zo een deel van de cirkel als ook het antwoord deel van de cirkel is, om het zo uit te drukken. Het ene deel van de cirkel noemen we ‘roep’ en het andere deel van de cirkel noemen we ‘antwoord’, maar eigenlijk is het een grote beweging. En door onze acceptatie en het ons volledig geven, worden we een met die cirkel en met die beweging. Er is geen hindernis tussen ons en het leven. We scheiden onszelf niet af en maken onszelf niet tot een wezen dat op de een of andere manier afgescheiden is van het leven. Dit is waar mededogen uit voortvloeit. Mededogen is niet een ‘ding’ en dus proberen we dan ook niet om gevoelens van mededogen te ontwikkelen; wat we wel proberen te doen is om de roep, dat het leven zelf is in dit moment, te horen. Mededogen stroomt hieruit voort. Dus roep en antwoord zijn een.

Zien hoe de dingen waarlijk zijn maakt precies dat vrij waar de leefregels over gaan. Dus we kunnen stellen dat de boeddhistische leefregels gaan over dit roepen en antwoorden, deze beweging van het leven, die tot uitdrukking komt in elk moment; het is gewoon niet mogelijk om er gescheiden van te zijn. Maar we kunnen het wel heel mistig maken, om het zo maar eens te verwoorden. Dus moeten we ons hier van bewust worden en dat is precies wat we doen in de meditatie. Het proces van zitten, jezelf overgeven en kijken!

Vertrouwen

Laten we terugkeren naar de concepten van ‘samadhi’ en ‘prajna’. Een ander woord voor ‘samadhi’ is ‘vertrouwen’. We zijn bereid om te zitten met en in vertrouwen. We spreken over ‘vertrouwen’ want in feite is er een hoop twijfel. Onze ervaring van “hoe kan ik nu Boeddha zijn? Ik voel mezelf ellendig, of klein, of inadequaat in hoe deze wereld lijkt te zijn. Er is zoveel gaande, wat kan ik nu doen?”. Je voelt jezelf soms heel inadequaat als gevolg van twijfelen aan jezelf. Het antwoord hierop is dan om terug te keren naar je meditatiekussentje of -bankje en je lichaam en geest te accepteren. De geest die je dan accepteert is die geest die twijfelt, die geest die zo denkt en zo voelt over de dingen. Zit eenvoudigweg en voel waarlijk wat je op dat moment voelt! Voel juist die twijfel wanneer die aanwezig is. Maar kijk ook heel goed. Hier heb je weer die twee kanten, die zo vaak in het boeddhisme naar voren komen. Het is nooit maar een ding op zichzelf. En die twee dimensies zijn acceptatie – het vertrouwen – en dan het kijken.

Een onderdeel van het kijken is in te zien dat we dienen te twijfelen. We hebben twijfel nodig, want zonder twijfel gaan we door met op oude, vertrouwde wijze naar de wereld en naar onszelf kijken en zal er niets veranderen in onze manier van kijken. Maar als we werkelijk de poort door willen gaan, hebben we wat twijfel nodig over het buiten de poort staan. We moeten dus als het ware gaan zien dat er iets niet klopt met het buiten de poort staan. Iets is niet compleet. Wat is er aan de hand? En daarvoor moeten we heel, heel goed kijken naar het wezen der dingen.

Omarm wat is

Dus samenvattend: hier ben ik en ik voel twijfel over mijzelf, of de beoefening wel voldoende is, of boeddhisme werkelijk werkt of niet, enz. Je zit in meditatie en omarmt die twijfels en laat ze aanwezig zijn. Je geeft het de waarde en de plek die het heeft in het geheel der dingen. En zie dan wat er gebeurt. Als je dit werkelijk met twijfel doet, waar blijft hij dan? Op de een of andere manier is hij dan niet meer aanwezig. Begrijp me goed, ik bedoel niet dat elk probleempje dan opeens is opgelost. Alsof je een spirituele loterij gewonnen hebt en het vanaf nu allemaal geweldig is. Ik probeer je hier niet iets te verkopen. Maar kijk met grote aandacht. Wanneer je volledige accepteert wat er aanwezig is, wat gebeurt er dan? Dus neem de twijfel in de hand en gebruik de noodzaak om te kijken en te weten, die volgens mij aan de basis ligt van onze twijfel. We twijfelen omdat we onzeker zijn. Neem die onzekerheid bij de hand en kijk. Verspil je tijd niet door van de ene twijfel naar de andere twijfel te gaan. We twijfelen dan hieraan en dan daaraan en lijken soms op een vlinder die van het ene naar het andere fladdert. Richt je twijfel. Twijfel je aan jezelf, richt dan je aandacht op jezelf en kijk wat ‘jezelf’ werkelijk is. Wees er niet bang voor dat wat je zal vinden misschien tegengesteld is aan wat het boeddhisme ons bijvoorbeeld leert of iets anders. En als je iets vindt dat tegengesteld is aan wat het boeddhisme ons leert, dan is dat prima. Maar stop daar dan niet. Wat je ook vindt en wat je ook denkt dat je weet, het is allemaal alleen maar voor dit moment zo. Dit is hoe het nu, vandaag, lijkt.

We weten allemaal wel hoe bijvoorbeeld het weer ons beïnvloedt. Vandaag is het regenachtig; als de zon zich opeens laat zien en we de tuindeuren openen en de vogels horen zingen, dan merken we hoe we ons wat beter en vrolijker gaan voelen. Misschien maakt het geen groot verschil maar we stellen een merkbaar verschil vast. En als het dan weer gaat regenen en we moeten weer naar binnen, dan voelt het weer merkbaar verschillend. We worden beïnvloed door onze omgeving, door situaties en door hoe de dingen zijn. We zouden niet menselijk zijn als we niet beïnvloed zouden worden door die dingen. Maar wij kunnen waarnemen hoe bijvoorbeeld de zon onze geest doet veranderen wanneer hij verschijnt en hoe de regen onze geest doet veranderen. Wie ben ik? Ben ik de zon in de zin van dat ik me beter voel als de zon verschijnt? Wat is mijn verbondenheid met de zon? Elk ding beïnvloedt mij, maar als we werkelijk kijken naar het wezen van elk ding dat verschijnt, verandert en weer verdwijnt, dan vinden we een stabiliteit in dit alles.

Natuurlijk, we bevinden ons in de stroom van verandering, maar eigenaardig genoeg zien we dat eigenlijk niets verandert in de ware zin. Dit is iets waarvoor je een hele tijd moet oefenen in meditatie om werkelijk te zien en te ervaren. Als je werkelijk kijkt naar het wezen van verandering, naar het wezen van onbestendigheid, stel je vast dat het altijd ‘alleen maar dit’ is. De zon is misschien tevoorschijn gekomen maar het blijft ‘alleen maar dit’. Er is dan een kwaliteit in het wezen van ‘alleen maar dit’ die niet verandert, zelf als de zon tevoorschijn komt en weer verdwijnt. Er is verandering en er is bestendigheid! Maar we kunnen niet aan bestendigheid vasthouden. En als we dat doen, dan missen we waar het om gaat. Wat ik probeer te zeggen is dat we door het passeren van de poort, door het ontwaken van onze geest voor het wezen van de dingen, een diepe stabiliteit vinden, want dan kennen we het Onveranderlijke. We kennen dan Datgene, wat door helemaal niets weggespoeld kan worden. De zon mag gaan schijnen of weer achter de wolken verdwijnen, mensen van wie we houden kunnen bij ons zijn, ze kunnen sterven, en er is Iets dat niet verandert in het middelpunt van het leven.

De Boeddha hier en nu

En zoals altijd zijn er twee dingen die samen rondgaan; het veranderlijke en het onveranderlijke. We houden ons niet vast aan een of het andere. Als we het veranderlijke proberen te vermijden en ‘leven en dood’ proberen te ontvluchten en iets proberen vast te grijpen dat buiten ‘leven en dood’ ligt, zullen we alleen maar lijden creëren. Het is absoluut waar dat in het onbestendige, dat leven en dood zijn, het bestendige, het onveranderlijke, gevonden kan worden. Maar probeer dat niet vast te pakken. Natuurlijk, we willen allemaal zekerheid en stabiliteit dus zitten we in meditatie en we zien we hoe we ons verliezen in het een na het ander, dat we eigenlijk niet willen, en hoe we verlangen naar dat andere, dat stabiliteit is. Maar dat verlangen zal nergens toe leiden. Het wezen van het onveranderlijke bevindt zich juist daar in het veranderlijke. Als we de Boeddha buiten het veranderlijke, buiten ‘leven en dood’ zoeken, zullen we het nooit vinden. Maar als we recht in de kern van ‘leven en dood’ kijken, is de Boeddha hier en nu aanwezig.

Dus, om nogmaals terug te keren naar zitten in meditatie: dit is waarom we mediteren. Want in het zitten in meditatie brengen we de Boeddha, die hier en nu is, tot uitdrukking. Wanneer we in meditatie zitten, zijn we hier en nu deze Boeddha. Maar als we zitten om vervolgens verlicht te worden, om de weg af te leggen tussen mij en de Boeddha, het ideaal, begrijpen we nog niet waarom we mediteren. Want het zitten in meditatie is HET, hier, nu, dit.

Tot slot; er is een grappige cartoon waarin een jonge monnik nogal ontsteld in meditatie zit, terwijl een andere oude monnik rustig en sereen naast hem zit. De jonge monnik vraagt de oude monnik “En wat nu?” en de oude monnik antwoord “Niets!”. Alleen maar Dit! [eerw. meester Daishin wijst weer naar zichzelf] Het klinkt waarschijnlijk bekend. Wanneer we in meditatie zitten komt soms de vraag naar boven “En wat nu?”. Nou, kijk heel goed! Verwezenlijk de Boeddha die je hebt, die je bent! Zoek niet naar een andere Boeddha. Dat is vaak de tragedie van het leven van zoveel mensen; ze zijn niet tevreden met wat ze hebben maar kijken buiten zichzelf en zoeken naar iets. Terwijl je dat doet kan je niet de Boeddha zien die je hebt. Misschien denk je dat de Boeddha die jij hebt niet erg goed of niet voldoende is. Hoe kan je dit weten als je nooit werkelijk die Boeddha hebt leren kennen? Tot je waarlijk mediteert en de Boeddha laat spreken?

Met andere woorden, je ‘voelt’ en ‘kent’ de roep, die het leven van dit lichaam en deze geest is van de Boeddha die jij bent, en je zal ook het antwoord – dat wat in overeenstemming wil zijn met die Boeddha – vinden. Het zal ons niet altijd lukken in de zin dat we allemaal soms fouten maken. We willen hier deel van zijn en we zijn er deel van. We wensen echt en oprecht te zijn en het te volgen maar inderdaad lukt ons dat soms niet. We raken soms wat verdwaald en verliezen ons in ditjes en datjes. Maar als je de roep kent, dan ken je de plek waarnaar je terug kan keren. We weten wanneer we er een zooitje van maken en we fouten maken. Maar we kunnen er wat aan doen en terugkeren naar deze plek (de meditatie). Wanneer we fouten hebben gemaakt, kunnen we onze verontschuldigingen aanbieden, of we kunnen iets doen om te proberen het goed te maken en vervolgens verder gaan. Maar we zijn nooit verloren! Maar voordat we de poort doorgaan, zullen we dit niet waarlijk weten.
Dus, geef je zitmeditatie niet op!

Dank u voor uw aandacht.

Eerw. meester Daishin Morgan is abt van Throssel Hole Buddhist Abbey.